Tempo doeloe terreur en kampkitsch

Schrijver Graa Boomsma gebruikt deze termen met enige regelmaat als hij in VN zijn recensies schrijft. Maakt niet uit of het een commentaar is op Rushdie's Boekenweekgeschenk of een publicatie met kampdagboekfragmenten.
Boomsma gebruikt de grievende termen - de tweede schijnt overigens door Theodor Holman te zijn bedacht -, om duidelijk te maken hoe goed hij - na zestig jaar - op de hoogte is van de politieke situatie in voormalig Nederlands Indië, de ondergeschoven positie van Indovrouwen, 'kampkippen' en de wereldvreemde houding van opgesloten Nederlandse totoks.
Zijn rancune is overduidelijk, hij woonde weliswaar nooit in de kolonie, maar zijn vader diende daar tussen 1946 en 1949 als soldaat tijdens de twee oorlogen tegen de Republik Indonesia en kwam behoorlijk gestoord terug. De zoon zal daar ongetwijfeld zijn deel over zich heen hebben gehad en schrijft ook over de Nederlandse politiek in die periode. 
Een van zijn artikelen leidde tot een rechtszaak, aanhangig gemaakt door oorlogsveteranen vanwege de zin: 'Ze waren geen SS'ers, nee, ook al konden zij door de dingen die ze deden er wel degelijk mee worden vergeleken'. Er volgde vrijspraak.
Sindsdien zijn bij Boomsma kennelijk de stoppen doorgeslagen en scheert hij iedereen die iets met de kolonie te maken heeft gehad over één kam: politici, burgers, totoks, Indo's, ambtenaren en militairen. Het doet er niet toe: allemaal fout!
Het verschil is -achteraf gesproken - dat zijn vader nog de eigen keuze heeft gehad om te drossen en dat in het spoor van o.m. Poncke Princen niet deed, terwijl de geïnterneerde burgers die vitale optie nooit kregen. Dat kan dus wat dat betreft voor zoon Graa nooit meer goed komen en dat lees je bij herhaling, voor zijn zielenrust ware het beter geweest dat zijn vader wél was overgelopen.
Dezelfde gemakzuchtige herhaling verleidt Boomsma nu tot een wel erg goedkoop 'Er was en is geen enkele reden voor nog levende geïnterneerden [....] om jaloers te zijn op de joden en achteraf te ijveren over de hoogte van schadeloosstellingen.'
Het valt nu eenmaal niet uit te leggen, maar ja de recensent heeft nog een pijl over om kampdagboeken te kwalificeren 'die niet echt representatief zijn omdat er geen doorgewinterde koloniale dames bij zitten die met ijzeren hand een plantagehuishouden runden.' 
Zo kennen we er ook nog een paar over Auschwitz en Bergen Belsen en het afwezig zijn van Joodse diamantairs en speksnijders in de beschrijvende literatuur.

Over welk boek gaat het?
In een nieuwe serie, in het kader van het Historical Research Program on the relations between Japan and the Netherlands, verschijnt: De Japanse bezetting in dagboeken; Vrouwenkamp Ambarawa 6; samengesteld door Mariska Heijmans-van Bruggen (Amsterdam: Bert Bakker 2000, ISBN 90-351-2230-5, Dfl. 49,50).
Mevrouw Heijmans kan beschikken over de dagboeken van zes geïnterneerde vrouwen, bijgehouden in het kamp Ambarawa 6.
De dagboeken zijn zo gegroepeerd dat onderdelen ervan zijn ondergebracht in thema's als: transporten - kamporganisatie - behandeling van geïnterneerden - opvoeding, ontspanning - contacten buiten het kamp - gedwongen prostitutie etc.
Het door de samenstelster gebruikte argument dat deze vorm de leesbaarheid ten goede komt, gaat niet voor iedere lezer op, het is moeilijk op deze wijze de lijn van de afzonderlijke dagboeken te volgen. 
Langzamerhand is onze kennis door deze vorm van vastleggen in dagboeken zo groot dat niet veel 'nieuws' is toe te voegen aan de feiten. 
Des te meer raak je dus geïnteresseerd in de de gewone dingen van alledag, die een beeld moeten geven van hoe het daar toeging en hoe de mensen binnen het kamp hun situatie verwerkten. 
Wat dat betreft komt de lezer niet tekort, zij het dat weleens het tekort aan reflectie over de gebeurtenissen wordt gemist.
Er zullen ongetwijfeld psychologiserende verklaringen zijn voor dit ontbreken. Hoe dan ook wél voelbaar is dat voor de meeste vrouwen in Ambarawa ook oppervlakkig afstand nemen een vorm van overlevingsdrang is. Het heeft blijkbaar gewerkt en dat is het belangrijkste!
Geen wonder dat de gezamenlijk beleefde perioden tegen het einde van de oorlog de scherpste observaties oplevert. Zoals de geruchtenstroom vanaf begin 1945, de z.g. Koreanenopstand en tenslotte de (verlate) bevrijding.
Al met al, door de zorg die Mariska Heijmans heeft gegeven aan het inleiden van de gegroepeerde teksten en het plaatsen binnen de context van die tijd, is deze verzameling dagboekfragmenten wel degelijk van belang en beslist meer dan de denigrerende betiteling die aan het begin staat.

Rode Aarde

Zolang blijkbaar nog steeds een stroom aanhoudt van persoonlijke verhalen rond de laatste wereldoorlog, moet je constateren dat die nog steeds niet over is. Het maakt dan niet uit of de betrokken personen onder Joods, Russisch, Duits, Engels, Amerikaans, Frans, Japans, Indonesisch en last not least Nederlandse (politiek) regime hebben vast gezeten.
De kwaliteit van veel boeken over dit onderwerp, wordt sterk bepaald door de aanwezigheid van authentieke documenten. En ook het doorzettingsvermogen en speurzin van de auteur is doorslaggevend. Anne Bos begint na haar moeders overlijden aan een zoektocht naar de dood van haar vader in 1942 bij Ciater.
Dankzij vele bewaard gebleven familie documenten, een koffertje met brieven en dagboeken kan zij de vergeten historie van de Ciaterstelling bij Bandung reconstrueren. De Japanners hebben daar in maart 1942 tientallen krijgsgevangenen met hun putihs aan elkaar gebonden en daarna in een glooiing vermoord. Anne Bos vader fungeerde als ziekendrager voor de troepen bij Ciater en de familie heeft nooit meer iets van hem vernomen, ook zijn laatste bezittingen zijn verdwenen. Dankzij minutieus zoeken en interviewen van o.m. twee artsen die ter plekke waren, kan mevrouw Bos de hele toedracht reconstrueren, tot en met de plaats waar haar vader op het Pandukerkhof werd begraven.
Het interessante van dit boek is dat Anne Bos - bewogen door de algemene onbekendheid met het onderwerp, het psychische leed en de ondervonden schaamte vanwege het koloniale onderwerp - het verhaal plaatst binnen de roerige tijd tussen het vertrek van haar ouders naar Java en de terugkeer in 1946 naar Holland.
De afbeeldingen - waarbij veel documenten en persoonlijke foto's - geven een aanvullend en ook aangrijpend beeld van de totale verwarring die deze periode kenmerkt. Met als pijnlijk dieptepunt het ongemakkelijk zwijgen rond de traumatische gebeurtenissen. Kortom, zeer herkenbare feiten maar in dit boek uiterst helder en overzichtelijk met een strakke lijn opgeschreven.
Curieus om te lezen (blz 216) hoe de auteur in 1999 bij het NIOD de map opvraagt waarin de namen en verslagen van de bij deze Ciaterstelling betrokkenen voorkomen: 'Er zat ook nog een met de hand geschreven brief bij. De woorden bovenaan de brief trokken mijn aandacht: veiligstellen van de goudvoorraad van de Javasche Bank. In deze tijd werd er juist druk gediscussieer over de Joodse oorlogstegoeden en over wat er met het geld en de goederen van de joden in en na de oorlog was gebeurd. Mutatis mutandis zou dezelfde discussie moeten spelen rondom de bezittingen van de mensen uit Nederlands Indië [....] Onder tijdsdruk begon ik te lezen. In veertien punten werd beschreven wat er met de goudvoorraad die zich in de Javasche Bank bevond, was gebeurd'.
Kortom, het boek wordt sterk aanbevolen.
Rode aarde; een verhaal van de vergeten oorlog op Java. Anne Bos, 368 blz. ISBN 90 6801 696 2; Uitgeverij de Prom (Postbus 1, 3740 AA Baarn).