Mevrouw Anna
Mevrouw Anna is de weduwe van een ambassadeur. Nu vervult zij geen officiele functie meer. Maar dat betekent niet dat zij niets meer te doen heeft. Zij houdt zich onder andere bezig met sociaal werk.
'De keuze om wel of niet Warga Negara te worden heb ik nooit hoeven maken. Mijn vader was Indonesiër en ik dus automatisch ook. Mijn moeder is Nederlandse. Zij komt uit Den Haag. Mijn ouders hebben elkaar leren kennen toen mijn vader in Leiden studeerde. Eigenlijk was hij voorbestemd om zijn vader als regent van Pati op te volgen maar daar had hij geen zin in. Hij voelde er niets voor. Op aanraden van Van der Plas is hij toen op de juridische faculteit van Batavia terechtgekomen. Van der Plas was gouverneur van Midden Java en mijn grootvader en hij waren met elkaar bevriend. Na een paar maanden besloot vader over te stappen naar de studie Indisch recht. Dat kon in Batavia, maar dat kon ook in Leiden. En daar koos hij voor. In 1938 studeerde hij af en in datzelfde jaar vertrokken wij naar Indië. Ik was toen een peuter van twee jaar. We gingen wonen in Soerabaja, waar mijn vader een baan op het gouvernementskantoor kreeg. Voor mijn moeder was het moeilijk. Het was een grote schok om te merken dat haar man zomaar terugviel in bepaalde Indische gewoontes. Dat hij soms een sarong droeg en kreteksigaretten rookte. Zo kende zij hem niet. In Leiden was hij op en top Europeesch geweest. Vooral die sarong zat haar erg dwars. Gek eigenlijk, want tegen een Hollandse vrouw in kebaja had ze geen bezwaar.
Na de Duitse inval in Nederland was het voor mijn moeder niet meer mogelijk om contact met haar familie in Nederland te hebben. Ze moet zich soms grote zorgen hebben gemaakt. Ik weet ook nog wel, dat ze soms zomaar begon te huilen. En haar toestand werd voor haar nog uitzichtlozer, toen al haar Hollandse vriendinnen door de Japanners geïnterneerd werden. Ze werd hoe langer hoe eenzamer. Ik heb wel eens gedacht, dat zij misschien toch beter af was geweest in het kamp. Dan had ze in ieder geval tussen landgenoten gezeten. Bij de Indonesiërs voelde zij zich absoluut niet thuis. Ze was een Hollandse, voor de volle honderd procent. Ook in het eten. Indonesische gerechten kwamen er haast nooit op tafel. Gelukkig nam mijn vader mij vaak mee naar een stalletje waar dawet verkocht werd. Hij vond dat heerlijk en ik ook. Het was ons geheimpje.
Omdat mijn moeder volbloed Nederlandse was, werd ik toegelaten op de Europese fröbelschool. Daar merkte ik voor het eerst dat er met mij iets aan de hand was. Een meisje uit mijn klas moest naast mij gaan staan, maar dat weigerde zij. "Dat wil ik niet, want zij is een inlandse." Ik begreep er niets van. Wat was een inlandse en waarom was ik dat? Er werd een ander kind naast me gezet. Die durfde niet te protesteren, maar wel te knijpen, van die stiekeme geniepige knijpjes. Steeds vaker vielen mij dit soort dingen op en ik begon een beetje een hekel aan Belanda's te krijgen. Toen ik naar de lagere school moest, was het al oorlog. Hollands onderwijs was er niet meer bij. De voertaal op school was Javaans en dat was voor mij een groot probleem. Dat kende ik niet. Thuis spraken wij uitsluitend Nederlands. Mijn vader organiseerde daarom een "gendoek"voor mij: een dochtertje van een van de bedienden, die ongeveer even oud was als ik, moest met mij spelen. Op die manier leerde ik Javaans. Japans leerde ik ook, als tweede taal. Dat was verplicht.
Vader voelde zich verwant met de Indonesische vrijheidsstrijders, maar toch heeft hij nog een tijd gevangen gezeten. Hij werd gepakt door Sabarrudin, die dacht dat een vent met een Hollandse vrouw zeker wel pro Nederlands zou zijn. Ik heb gehoord dat deze Sabarrudin later geëxecuteerd is. Niet alleen vanwege dat geval met mijn vader, maar hij had meer dingen gedaan die niet klopten. Het was een moeilijke tijd. De mensen wilden niet meer aan mijn moeder verkopen. Ze waren bang. Het zou uitgelegd kunnen worden als anti Republiek. Maar eten moesten we toch en daarom werd ik er op uitgestuurd. Ik moest maar zien iets te kopen, niet alleen voor onszelf, maar ook voor andere Indische mensen. Die konden zich ook niet veilig op de Pasar vertonen. Doodeng vond ik dat. Ik kreeg een sarong aan en mijn haar werd in vlechtjes gedraaid. Iedere keer zei ik tegen mijn moeder: "Als je weggehaald wordt, moet je echt op mij wachten hoor.". Moeder geloofde niet dat de vrijheid voor Indonesië een feit zou worden. De Nederlanders zouden vast en zeker weer terugkomen en het heft in handen nemen.
In die tijd merkte ik duidelijk hoe groot het verschil in opvatting tussen mijn ouders was. Ik had altijd al wat meer naar mijn vader getrokken en dat werd tijdens de Bersiaptijd alleen maar sterker. Zo duidelijk herinner ik mij nog die dag dat in Malang al die gewonde Pemuda's naar een ziekenhuis of zo gebracht werden. Dat was op 10 november 1945. Ik vond het een vreselijk gezicht, maar tegelijkertijd was ik trots op hen: dat hadden zij toch maar gedaan voor mijn land! Boeng Tomo was een vrijheidsstrijder en woonde in Malang. Door de radio hoorde ik zijn toespraken. Hoorde ik hoe hij het volk aanvuurde. Geweldig vond ik dat! Dat enthousiasme en die bezieling! Ik voelde mij Indonesische, helemaal, in hart en nieren. Maar toch werd ik nog altijd voor Belanda uitgescholden. En dat wilde ik nu juist helemaal niet zijn. Met opzet meed ik daarom het contact met Indische kinderen. Ik wilde alleen nog Javaanse vrienden en vriendinnen hebben. Van de weeromstuit gedroeg ik me zelfs nog Javaanser dan zij.
Hier was ik dus te blank en in Nederland te bruin. Toen wij in 1946 in Nederland aankwamen schold men mij uit voor 'pinda, pinda poepchinees'. Wat haatte ik dat alles! Het liefst wilde ik zo snel mogelijk weer terug naar Java. Wat moest ik op die stomme school in Den Haag? Wat deed ik tussen al die meisjes die er in mijn ogen als boerentrienen uitzagen? Niets wisten zij van het leven in Indonesië af. "Jouw vader is zeker een djongos he?" vroeg eens een jongetje uit mijn klas. Dat had hij natuurlijk van zijn ouders gehoord. Zoiets bedenkt een kind niet zelf. Allemaal van dit soort opmerkingen, vreselijk vond ik het. Ik vertelde het thuis en mijn ouders werden er boos over. Zij hadden mij met opzet op een school gedaan voor kinderen uit een zogenaamd goed milieu. Zo'n gedrag hadden zij niet verwacht. Later, op de middelbare school, ging het veel beter. Daar had ik een gezellige tijd. Maar nooit ben ik toen echt intiem met iemand geworden. Ik denk dat ik dat zelf ook niet wilde. Ik schiep bewust wat afstand: ik was slechts op bezoek, later zou ik weer naar huis, naar Java gaan. Er waren wel eens jongens verliefd op mij en dat vond ik reuze interessant, maar serieus werd het nooit.
In 1954 was het zover en gingen wij terug naar Indonesië. Mijn vader had een baan bij Buitenlandse Zaken. Een goede baan, maar financieel hadden wij het zeker niet ruim. En de behuizing was ook bepaald niet alles. Na vier maanden begreep mijn moeder dat zij onmogelijk de rest van haar leven hier kon blijven. Zij ging met mijn jongere zusjes naar Nederland terug. Ik bleef bij mijn vader. Hij zocht ander werk. De overheid betaalde niet genoeg om twee huishoudens te kunnen onderhouden. Naderhand zijn mijn ouders gescheiden en hertrouwde mijn vader met een Javaanse vrouw. Ik heb nooit tegen iemand gezegd dat zij mijn stiefmoeder was. Ik heb het ook niet ontkend, maar liet het gewoon in het midden. Het kwam mij wel goed uit. Zo vaak vroeg men nog aan mij: hoe komt het toch dat jij er zo anders uitziet dan je ouders? En dan zei ik maar, dat ik dat ook niet wist. Dat uiterlijk van mij heeft mij altijd parten gespeeld. Steeds zette het mij voor onaangename verrassingen. Dat was zo tijdens de Nieuw Guinea-kwestie, toen men mij toeriep dat ik naar Nederland terug had te gaan: "Pulang saja ke Belanda", en dat was ook nog zo later, toen ik al getrouwd was. Mijn man was ambassadeur in Cairo. Alle Indonesische ambassadeurs en hun vrouwen waren uitgenodigd in Genève voor een ontmoeting met de minister van Buitenlandse Zaken. Ik stond met een groepje vrouwen te praten, zomaar over ditjes en datjes, maar plotseling vroeg één van hen aan mij: "Je bent een bastaard, hè?" en daarmee bedoelde ze, dat ik een halfbloed was. Het was voor mij een enorme schok om dat te horen; een vrouw van een ambassadeur die zoiets onbeschaafds durft te vragen!
Je kunt echt wel zeggen, dat ik voor het grootste deel Indonesische ben. Als er iets ten nadele van mijn land gezegd wordt, voel ik mij aangesproken. Ook nu nog, nu mijn man al overleden is en ik niet meer in diplomatiek kringen verkeer maar een beetje Nederlands ben ik toch ook nog steeds. Twee keer per jaar ga ik daar naar toe en dan tank ik weer even bij, vooral wat cultuur betreft. Alleen de luxe al van zoveel bibliotheken! Dat dubbele gevoel zal ik altijd wel blijven houden. Je bent een kind van twee werelden en dat blijf je. Daar valt nu eenmaal niets aan te veranderen.
Emma de Bruyn Kops
mei/juni 1995