TIJDENS DE ONAFHANKELIJKHEIDSSTRIJD WAS DE VIJAND VOOR IEDEREEN HERKENBAAR; BLANK EN NEDERLANDER.

In de rubriek Vervolg van de Volkskrant van 24 april jl. analyseert Gerrit de Boer de passiviteit waarmee het grootste deel van de Indonesische bevolking de huidige crisis over zich heen laat komen. Hij laat hierin onder andere de historicus Ong Hok Ham en de politiek filosoof prof. dr. Franz Magnis-Suseno aan het woord. Beide heren wijzen op het historisch gebrek aan saamhorigheid tussen de verschillende bevolkingsgroepen en het ontbreken van enig politiek opportunisme om de massa in beweging te krijgen.
Nico Warouw, voorman van de - inmiddels illegale - PRD (Partai Rakyat Demokrasi - Democratische Volkspartij) in Indonesië denkt daar anders over.
De PRD is een kleine, nieuwe partij met een Marxistische signatuur. 'Sociaal democratisch', aldus Warouw. Zijn partij richt zich met name op de studenten, de boeren en de arbeiders. Hij trekt op dit moment door Europa om aandacht te vragen voor Dita Sari, voorzitster van de PPBI, een illegale vakbond. Sari werd opgepakt tijdens een demonstratie in Surabaya waaraan twintigduizend mensen deelnamen. De demonstratie was georganiseerd door de PRD en de PPBI. Sari werd beschuldigd van communistische praktijken en veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.
Warouw denkt dat onder de huidige omstandigheden geen opstand te verwach-ten valt. 'Het is een psychologisch probleem. De Indonesiërs zijn nog niet overtuigd van de kracht van een massabeweging. Men kent het niet. In Thai-land en India bijvoorbeeld heeft men een lange traditie als het gaat om massabewegingen. In ons land is dat niet zo.'
De oorzaak ligt onder meer in de culturele verscheidenheid. Het Indonesië van nu is een produkt van de expansiedrift van de Nederlanders van toen. De bewoners van de duizenden eilanden hebben geen enkele binding met elkaar, anders dan een geografische. De verschillen in karakter, geloof, ontwikkeling en cultuur zijn destijds onder het tapijt geveegd. Slechts één van deze elementen heeft zich in de loop der eeuwen tot iets gezamenlijks ontwikkeld; het geloof. De islam is in feite het enige 'bindmiddel' dat in vrijheid is ontstaan. Daar-naast heeft de regering getracht eenheid af te dwingen via de taal (bahasa Indonesia) en de panca sila, de vijf filosofische grondbeginselen van de republiek.
Volgens Warouw was in de tijd van de onafhankelijkheidsstrijd sprake van een andere situatie. De vijand kwam van buiten en was herkenbaar; blank en Nederlander. 'Psychologisch gezien; een zeer belangrijke factor. De bevolking had daardoor - geholpen door de Japanse bezetting - veel meer de neiging de rijen te sluiten. Bovendien zag 'de vijand' er anders uit. Nu kan iederéén een vijand zijn; hij is aan de buitenkant niet meer herkenbaar.
Sommigen menen dat we in 1945 de vrijheid hebben gekregen. De werkelijk-heid is echter anders. De huidige situatie is zelfs nog slechter dan toen. Als onze vakbond nu een staking organiseert, wordt het leger gewaarschuwd door mensen van de SBSI, de officiële vakbond van Indonesië.'
Warouw acht het een taak van de oppositie om te voorkomen dat vanwege de honger het aantal ongecontroleerde protesten toeneemt. Er moet sprake zijn van georganiseerd verzet langs democratische weg. In het andere geval loopt men kans dat het leger wordt ingezet, als was het alleen maar uit eigen
belang.
Hij heeft geleerd van de ongeregeldheden in de afgelopen maanden, waarbij de Chinese middenstand en de Christenen doel waren van de woede-uitbarstingen. Deze onlusten zijn het gevolg van het ontbreken van enig leiderschap dat richting geeft en dergelijke acties veroordeelt. Het leger heeft deze situatie slim uitgebuit. Enerzijds provoceren ze de ongeregeldheden om vervolgens hun aanwezigheid en optreden te kunnen rechtvaardigen. Het is de taak van de oppositie om deze onrust te herleiden naar het politieke systeem, naar Soeharto, niet naar één of meer minderheidsgroeperingen, aldus Warouw.
De verscheidenheid in cultuur lijkt een eenvoudig wapen in deze verdeel-en-heers-politiek. In het recente verleden is meermalen gebleken dat in tijden van onrust men elkaar letterlijk naar het leven staat. Het conflict tussen de Dayaks en de Madoerezen is daar een sprekend voorbeeld van. De rassenhaat beperkt zich echter niet alleen tot deze groepen. De Javanen worden gehaat door de rest van de bevolking. Java en met name Jakarta is het economisch centrum van het land. Daar wordt in veler ogen het geld niet verdiend, maar komt het wel terecht. Een vorm van 'intern kolonialisme'; uitbuiting door de Javaanse overheerser die de rest van de archipel als 'platteland' beschouwt.
Toch meent Warouw dat saamhorigheid kan worden bereikt als het gaat om politieke hervormingen: 'Vanaf the bottom, geen top-down-benadering. Studenten, vakbewegingen, moslim-organisaties, politieke groeperingen en ja, zelfs het leger, moeten elkaar op het laagste niveau vinden; op het niveau van plaatselijke leden en vertegenwoordigers. Ze dienen de onderlinge politieke verschillen ondergeschikt te maken aan het gezamenlijk belang. Dat geldt ook voor het volk, waar het culturele en etnische verschillen betreft. Zo ontstaat er een stuwende kracht die de leiders de overtuiging en de macht zullen geven om de krachten te bundelen en op te staan. Megawati Soekarno-putri en Amien Rais staan nu nog te veel geïsoleerd. Dat is de reden waarom ze zich zo voorzichtig uitlaten als hen wordt gevraagd naar een toekomstig leiderschap. Toch hebben we een gezamenlijke en herkenbare vijand; de huidige dictatuur. Wanneer onze achterban laat horen dat men zich in dat beeld herkent, dan pas kan er een tegenoffensief ontstaan.'
Zelfs het leger kan hier volgens Warouw een rol in spelen. De lagere rangen in het leger zien hun salaris steeds minder waard worden. Maar ook de economische belangen van de generaals verdwijnen meer en meer richting Soeharto, zijn familie en vrienden. Binnen de krijgsmacht heerst dus eveneens onvrede. Hij verwacht echter niet dat het leger zelfstandig tegen de president in opstand komt.
Over de vraag of de steun van het IMF het tij kan doen keren, is Warouw heel beslist. 'Ik onderschrijf de neo-liberale politiek van het IMF niet. Ze willen een open-grenzen-economie met afschaffing van de subsidies op elektriciteit en olie. Dat laatste is niet gelukt. Daarmee is voorkomen dat tientallen miljoenen arme mensen het slachtoffer zouden zijn geworden en wellicht een massale, ongecontroleerde opstand zou zijn ontstaan. Het is kiezen tussen het imperialisme van het IMF en het nationalistisch kapitalisme van het huidige regime. Niettemin heeft het IMF dezelfde mening over de noodzaak tot terugdringing van de corruptie, afbraak van het monopolie van de Soehartoclan en hervorming van het politiek systeem.'
De woorden van Warouw zijn - voor wat de brandstofsubsidie betreft - inmiddels door de werkelijkheid achterhaald. Met name in Medan dreigt nu de chaos waar Warouw zo bang voor is. Buschauffeurs hebben het werk neergelegd omdat de passagiers de verhoogde prijzen niet willen betalen. Duizenden protesterende jongeren koelen met plunderingen en brandstichtingen hun woede op de Chinese middenstand. Er zijn al tien doden en talloze gewonden gevallen. De waarschuwende vinger van het leger en het verzoenende gebaar van Soeharto in de vorm van beloftes over hervormingen, missen vooralsnog hun uitwerking.
Warouw denkt dat politieke bewegingen in Indonesië - mits tot samenwerking bereid - wel degelijk kans hebben langs democratische weg succes te boeken; binnen twee jaar en zonder hulp van buitenaf. De dalang speelt voor eigen publiek. Het publiek moet daarom in staat zijn hem zelf weg te sturen als het spel hen niet meer bevalt.