DE HEER DIETER

Evenals de meeste van zijn familieleden was de heer Dieter jarenlang in de bouw werkzaam. Nu is hij manager van een guesthouse aan de zuidkust van Midden Java. Hij rolde puur bij toeval in deze baan. Eigenlijk was het de bedoeling dat hij de toenmalige manager slechts voor een paar maanden zou vervangen. Het pakte anders uit en hij doet dit werk nu al een aantal jaren. Zijn vrouw brengt haar tijd deels bij hem, deels bij de kinderen in Jakarta door.

'Mijn grootvader van vaders kant was een Duitser. Toen hij klaar was met zijn artsenstudie kwam hij naar Indië en werd officier van gezondheid. Wilhelm heette hij, echt Duits dus, Wilhelm. Die oude Wilhelm heeft twee vrouwen gehad. Niet tegelijk natuurlijk, maar na elkaar. De tweede vrouw was een jufrouw Izaak. Of zij Indo was weet ik eigenlijk niet, maar ik denk het wel, want haar zoon, mijn vader, was behoorlijk donker.

Ik heb hem nooit gekend, die vader van mij. Bijna niet tenminste, want hij overleed toen ik drie jaar oud was.

Mijn moeder bleef met drie zonen achter. Ik was een nakomertje en mijn oudste broer werd mijn voogd. In materieel opzicht ging het toen direct een stuk slechter. Mijn vader was gerechtsdeurwaarder geweest. Dat was een goede positie, een baan met aanzien. Maar daar bleef na zijn dood niet veel van over. Als weduwe moet je maar zien rond te komen met een heel klein beetje geld en met het aanzien was het ook gedaan.

Voor mijn moeder was het dus echt piekeren, maar als kind heb ik daar niet veel van gemerkt. Ik trok er zorgeloos op uit met mijn kameraden en maakte plezier. Veel van mijn vriendjes in de buurt waren inlandse jongens. Dat maakte niets uit. Er was geen verschil, helemaal niets. Die verwarring kwam pas later, na de Japanse tijd. Toen was het niet zo duidelijk meer wie je vrienden waren en wie niet.

Op mijn school zaten vooral Indokinderen. Ik zat in dezelfde klas als Maurice, een van de kinderen van mijn oudste broer. Wij trokken heel veel met elkaar op, dat was een gezellige tijd. Jufrouw Snepvangers was onze onderwijzeres. Ik was niet zo'n goede leerling, althans niet met taal. "Dieter" zei jufrouw Snepvangers tegen mij "jouw taal is zo slecht, dat je niet meer dan een heel klein vijfje verdient en daarom moet je eigenlijk blijven zitten. Maar omdat ik zie dat je de sommen goed maakt en dus wel het Nederlands begrijpt, zal ik jou een zesje geven en ga je wel over naar de volgende klas." "Dank u wel, jufrouw Snepvangers" zei ik toen maar. Ze kon heel streng zijn, maar zij was ook goed. Zij betaalde voor mij het abonnement op de schoolmelk, omdat mijn moeder daar geen geld voor had. Dat zal ik niet vergeten. Dat was echt goed van haar. Maar blij was ik er niet mee. Ik gruwde van melk.

In de Japanse tijd ben ik helemaal niet naar school geweest. Ik kon buiten het kamp blijven en woonde samen met mijn moeder in Bandung. Voor de mensen die geïnterneerd werden was het moeilijk, maar ook voor ons was het heel zwaar. Je kon bijna niet je hoofd boven water houden. We moesten alles verkopen, steeds maar meer verkopen, totdat we niets meer over hadden. Alleen maar om aan een beetje eten te komen.

Mijn broers hebben wel in een kamp gezeten. We hebben toen een hele tijd niets van hen gehoord en daar maakten moeder en ik ons veel zorgen over. Wat zou er met hen gebeurd zijn? Je weet niets, je hoorde niets, je kon alleen maar afwachten. Afwachten en zorgen dat je intussen niet doodging van de honger.

Mijn broers hebben het kamp overleefd, dat wel, maar de ene is heel snel daarna overleden. Doodgegaan omdat hij zo toegetakeld was. Door Indonesiërs of door Nederlanders, dat weten we niet precies. Hij was als burger in dienst bij de Genie. OP een dag werd hij ontvoerd. We waren doodsbang. Waar was hij naar toe gebracht? Wat zouden ze met hem doen?

Allemaal vragen waar we geen antwoord op kregen. Niets was meer zoals vroeger. Alles was door elkaar geschud. De hele wereld stond op z'n kop. Vooral als Indo was je je leven niet meer zeker. We durfden de straat niet op. Dat was veel te gevaarlijk. De kogels vlogen je om de oren. In het gedeelte van Bandoeng waar wij woonden is verschrikkelijk gevochten.

Mijn gekidnapte broer is teruggevonden in Cilacap. Een militair kwam het ons vertellen. Hij zei: "We hebben je broer teruggevonden in Cilacap. Wij dachten eerst dat hij een activist was van de extremisten." We weten dus niet wie hem zo toegetakeld heeft. In het ziekenhuis van Cimahi is hij overleden. Ik heb hem niet meer gezien. Ik had hem nog willen opzoeken, maar toen was hij al dood. Wat een rotgevoel had ik toen.

Mijn moeder heeft zich dit zo aangetrokken, dat zij ziek werd en overleed. Toen was ik helemaal alleen, want mijn oudste broer was met zijn gezin naar Surabaya gegaan en daar had ik helemaal geen contact meer mee. Dat kon ook haast niet, want reizen was erg moeilijk.

Och, er waren toen zo veel verdrietige dingen. Daar wil ik niet meer aan terugdenken. Vroeger op school moest je alles proberen te onthouden en nu doe ik mijn best alles te vergeten.

Later kwam mijn oudste broer nog naar Jakarta, daar woonde ik toen. Hij zei: "Ik ga naar Holland. Waarom ga je niet mee?" Maar ik had toen al een baan in de bouwerij, dat ging dus niet. Ik kon toch niet zo maar eventjes zeggen: "Goed, ik ga morgen met je mee naar Holland."

Ik bleef dus in Jakarta. Ik had een diploma op zak van de technische school en een behoorlijk goede baan.

Maar ook voor mij kwam de tijd dat ik moest kiezen, of ik wilde of niet. Indonesiër worden of wegwezen. God, wat was dat moeilijk. Ik wist het echt niet. Wat moest ik nu kiezen? Ik had werk en dat kon ik ook houden. Er was een groot tekort aan technici, omdat zoveel van hen naar Nederland vertrokken. Op mijn werk werd ik trouwens nooit lastiggevallen vanwege mijn uiterlijk en mijn naam. Maar het was allemaal toch wel erg onzeker en ik kon niet met mijn familie overleggen. De ene dag dacht ik: ik ga weg en de andere dag dacht ik weer: waarom zou ik eigenlijk naar dat vreemde Holland gaan?

Ik kwam er niet uit. Ik raakte er helemaal van in de war. Daarom vroeg ik maar aan mijn baas wat ik moest doen en hij zei: "Dieter, mijn vrouw is een Indische, zoals je weet en mijn kinderen zijn dus ook niet helemaal blank. Ik zie voor de kinderen in dit land meer mogelijkheden dan in Holland. Ik laat ze hier opgroeien en blijf dus ook. Maar dit is mijn mening, misschien denk jij er anders over." Toen besloot ik maar te blijven. Als hij bleef, zou het voor mij ook wel beter zijn.

Nu denk ik dat ik de goede keuze heb gemaakt. Maar toen was het nog wel anders. Vaak heb ik zitten mijmeren of ik toch niet beter weg had kunnen gaan.

Sinds een jaar of acht werk ik nu in de toeristenbusiness. Het is een goede baan en ik ontmoet veel mensen. Ook veel Indo's uit Nederland. Die komen hier even voor vakantie. Ze praten over baboe's en over al die andere dingen van de oude tijd. Ze praten ook over Holland, over schaatsen en over fietsen op dijken. Ik hoor het allemaal maar aan, maar kan mij er niets bij voorstellen. Natuurlijk weet ik wel hoe een dijk er uit ziet, maar ik kan niet voelen hoe hard je moet trappen tegen de wind in. Dat is toch niet een echt gesprek. Alleen als ze praten over hier, over Semarang of over Medan, over de pasar of over de durians en zo, dan kan ik echt meepraten. Dan hebben we het over dezelfde dingen en dan ben ik ook blij dat ze er even zijn, deze Indo's uit Holland. Want hier heb ik niet veel contacten. In de grote plaatsen is het anders. Daar wonen nog genoeg Indo's waar je mee om kunt gaan. Hier is niemand. Alleen een Indo-Chinese jongen. Wij praten wel

Samen, soms tot diep in de nacht. Hij was in de tijd van de revolutie in een andere plaats dan ik, maar dat geeft niet. We hebben toch een beetje dezelfde achtergrond en we begrijpen elkaar heel goed.

Met Indonesiërs is dat heel anders. Met hen ga ik haast niet om. Jawel, ik maak natuurlijk wel eens een kletspraatje met ze. Zo van: wat regende het vandaag toch weer hard, hè? Maar een beetje dieper contact is niet mogelijk. We praten langs elkaar heen. Indonesische vrienden heb ik dan ook eigenlijk niet. En Indo-vrienden ook niet, want die zijn er niet.

Dat is wel gek. Waar zijn die toch allemaal gebleven?

Toen ik bij de pengadilan moest komen om te zeggen dat ik gekozen had om warga negara te worden, zat die hele zaal propvol met Indo's en naderhand zie je er geen een meer van.

Veel van die Indo's hebben hun naam veranderd en dat heb ik ook nog overwogen. Want als ik een Indonesische naam zou hebben, zouden zij mij niet zo aankijken. Dan was ik een van hen, vooral ook omdat ik vrij donker ben. Nu is het anders, ik voel mij niet echt geaccepteerd. Ik blijf een vreemde eend in de bijt. Maar dat kan ook wel aan mij liggen, dat weet ik niet.

Mijn kinderen voelen zich ook anders. Tegenwoordig is dat niet meer zo merkbaar, maar vroeger wel, hoor. Dan hoorde ik die oudste van mij tegen zijn zusje zeggen: "Je moet niet met die kinderen spelen, dat zijn Indonesiërs". Waar hij dat vandaan had, weet ik niet. Mijn vrouw en ik spraken hier nooit over. Ik heb maar niets tegen mijn zoon gezegd. Veel beter is het om net te doen of je niets gehoord hebt.

Mijn vrouw dacht daar ook zo over. Maar voor haar ligt het natuurlijk toch wel anders, want zij is Indonesische en Moslim. Daarom ben ik ook Islamiet geworden. Het is niet goed als je kinderen opgroeien tussen twee godsdiensten. Dan weten ze niet waar ze aan toe zijn.

Een tijdje geleden kwam ineens mijn neef Maurice hier. Zo maar uit de lucht gevallen. Hij woont intussen in Australië en was op de een of andere manier aan mijn adres gekomen. Ik was stomverbaasd. Eindelijk weer iemand van mijn familie! Opgetogen wilde ik van alles weten: "Hoe gaat het met iedereen? Hoe gaat het met Marie?" "Marie is dood", zei hij. "Hoe gaat het met Max?" "Dood". "Hoe gaat het met Alfred?" "Ook dood". Mijn naaste familie, bijna allemaal dood dus. Dat deed pijn. Familie blijft nu eenmaal familie en die band gaat niet verloren, ook al heb je elkaar in geen jaren gezien. Dat voelde ik toen heel duidelijk.

Nu houden we contact, Maurice en ik. We schrijven elkaar een paar keer per jaar. In Holland kon hij niet wennen en daarom is hij naar Australië gegaan. Maar hier op Java voelde hij zich pas weer echt senang.

En zo gaat het ook met veel andere Indo's, die hier even terugkomen. Ik merk aan ze dat ze heimwee hebben naar hun geboorteland. Ze zeggen tegen mij: "Je bent een geluksvogel, dat je in dit land leeft."

Misschien is dat waar, dat kan ik niet beoordelen. Maar ik ben er wel van overtuigd, dat ik een goede keuze heb gemaakt. Natuurlijk voel ik mij wel eens eenzaam en ben ik in de put, maar ik weet dat dat weer overgaat.

Want het is net als een regenbui: je wordt kletsnat, door en door nat, maar even later schud je de laatste druppels van je af en herneemt het leven zijn gewone loop. Zo gaat het nu eenmaal.'