Is de kritiek op 'Gordel van Smaragd' fair?

Na het verschijnen van de speelfilm 'Gordel van Smaragd', opgenomen in Indonesië en geregisseerd door Orlow Seunke, in 1997 is daarop vanuit de Indische gemeenschap heftig gereageerd met veel kritiek. De belangrijkste kritiek die wordt geleverd vanuit de Indische kring is dat deze speelfilm geen waarheidsgetrouwe weergave biedt van wat de Indische mensen of Indo's hebben meegemaakt in Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting en vlak daarna tijdens de Indonesisische vrijheidsstrijd. Deze kritiek lijkt vooral te maken te hebben met de wijze waarop de film in de publiciteit is gebracht. Als film waarin de Japanse bezetting, de Indonesische revolutie en de moeilijke positie waarin de Indo's zich destijds bevonden, op de voorgrond worden geplaatst.
Wanneer we alleen kijken naar de inhoud van het eerste deel dat 5 december werd uitgezonden, dan kan meteen al worden opgemerkt dat de film niet gaat over het Indische verleden in zijn algemeenheid, maar dat het voornamelijk gaat over de relatie tussen een volbloed Nederlandse man (totok) en een gemengdbloedige vrouw. Wellicht gaat het begin van de film meer over Seunke's persoonlijke ervaringen tijdens zijn eerste bezoek(en) aan het moderne Indonesië dan dat het is toegespitst op Indo's in Indië. We zien een nieuweling arriveren die gretig alle nieuwe indrukken in dit tropische land wil opnemen en hij is onwennig met de gewoontes; zo weet hij niet wat een mandibak is en gebruikt hij deze als badkuip.
De gebeurtenissen in de film zien we vooral vanuit het perspectief van deze Hollander die al gauw een liefdesaffaire aangaat met de echtgenote de eigenaar van een Nederlandse sociëteit. Het perspectief van totok Theo Staats verplaatst zich naar Ems de Indo-vrouw die zijn minnares wordt. Langzamerhand wordt duidelijk dat Ems geen Indische opvoeding en opleiding kreeg, maar is opgegroeid in de kampung. Hier werd Ems weggehaald door toekomstige man.
Deze achtergrond van Ems maakt al veel duidelijk: b.v. waarom zij zich niet wenst te houden aan de gangbare omgangsvormen binnen de (Indo-)Europese gemeenschap in Indië. Zij kan niet echt beschouwd worden als een werkelijk Indo-meisje.
Dit verklaart bijvoorbeeld waarom ze haar echtgenoot keer op keer bedriegt door overspel te plegen met de totok Theo en daarmee telkens weer haar maatschappelijke zekerheid op het spel zet. Blijkbaar geeft dit balanceren haar zo'n kick dat ze niet zonder kan.
Het tweede deel van de film is beter opgezet. In dit deel komt Herman - Ems man - om tijdens de eerste dagen van de Japanse bezetting, belandt Theo in een Jappenkamp en wordt Ems om het leven van Theo te redden de bijvrouw van een Japanse officier. De grootste kritiek die op dit deel geleverd moet worden, is dat het verblijf van Theo en andere Europeanen in het Jappenkamp in een te vluchtig tijdbestek uit de doeken wordt gedaan waardoor de onbevangen kijker geen goed beeld krijgt van het bestaan van geïnterneerde Europeanen in de bezettingstijd.
In het laatste deel valt de kritiek voornamelijk op veel details die niet goed uit de verf komen, maar al met al geeft dit deel de kijker een redelijke indruk van wat Europeanen op Java (en Sumatra) doormaakten in de periode van de 'bersiap'.
In de tijd dat regisseur/scenarioschrijver Seunke bezig was met plannen voor de film, wist hij dat hij aan een moeilijk karwei begon, maar hij heeft zich bij de uitvoering daarvan toch nog te weinig rekenschap gegeven van de gecompliceerdheid van de problematiek, die hij in deze film naar voren wilde brengen. Dit valt b.v. op in het interview met hem in de Pasarkrant; uit de antwoorden blijkt al gauw dat voor Seunke, net als voor veel andere Nederlanders zonder binding hebben met Nederlands-Indië, het niet duidelijk is wat 'Indisch zijn' voor Indo's inhoudt. Bovendien verwart hij het maar al te gauw met Zuidoostaziatisch ('Indonesisch, Thais') zijn.
Elke maker van een speelfilm met Indo's als hoofdpersoon, zou van tevoren een historisch beeld moeten hebben van wat 'Indisch zijn' betekent.
Dan kan dit een juiste plaats worden gegeven, zeker wanneer de nog steeds emotionele periodes als Japanse bezetting, 'bersiap'-tijd aan bod komen. Anderzijds kunnen we ons afvragen waarom het nodig is zoveel ophef te maken over Seunke's film waarin een Indo-Europese de hoofdrol, die zoals blijkt in de film niet werkelijk 'Indisch' kan worden genoemd. Is de commotie rond deze film voortgekomen uit het feit dat een totok-filmmaker het gewaagd heeft om een gevoelig stuk 'Indische' historie, vorm te geven zonder dat hij zich eerst op de hoogte heeft gesteld van de wijze waarop Indische mensen zelf ernaar kijken.
Het is, denk ik, terecht wat Seunke in het interview opmerkt, dat de Indische gemeenschap nog steeds zit te wachten op een speelfilm vanuit Indisch perspectief en dat we zo'n film niet kunnen verwachten van een totok, maar dat zo'n product alleen gemaakt kan worden door een 'Indische jongen of meisje'.
Kortom, de conclusie die getrokken kan worden, is dat Seunke weliswaar enkele niet al te zwaarwegende verwijten kunnen worden gemaakt, maar het niet nodig is om hem aan het kruis te nagelen. Immers, voor het maken van deze film was een grote dosis moed en zelfvertrouwen nodig waarvoor Orlow Seunke zeker alle waardering en respect van verdient.
Misschien dat deining welke in de Indische gemeenschap is ontstaan, een goede les is voor toekomstige filmmakers die zich centreren op Indo-Europeanen.