INDO'S IN INDONESIË; II Interviews afgenomen in 1996 door Emma de Bruyn Kops MELANIE HARTONO Mevr. Hartono drijft al jaren een kunst- en antiekhandel (art shop) in een grote stad in Oost-Java. Ze reist veel om overal zelf de mooiste kunstvoorwerpen te kopen en geniet van de vele persoonlijke contacten die zij daarbij opdoet. Tot mijn huwelijk had ik een Nederlands paspoort. Dat vond ik vanzelfsprekend. Maar even vanzelfsprekend was het voor mij dat ik nooit in Nederland zou gaan wonen. Indonesië is altijd mijn land geweest.Nederland trok niet. De langste tijd die ik daar doorgebracht heb was een maand of negen. Toen ik in de tweede klas van de HBS bleef zitten werd ik voor straf naar Nederland gestuurd. De ouders van mijn vader zouden voorlopig mijn opvoeding ter hand nemen. Wat heb ik gehuild! Doodsbang was ik dat mijn ouders mij niet meer terug wilden hebben. Grootmoeder, die honderd procent Hollandse was, was verschrikkelijk streng en zeer op de etikette. Die uit de boom geplukte aap zou ze wel eens manieren bijbrengen. Iedere vrije middag moest ik oefenen om met mes en vork een perzik te schillen en op te eten. Vingers mochten er niet aan te pas komen. Nou ja, misschien was het wel niet iedere vrije middag, maar in iedere geval wel erg vaak. Ook mijn grootmoeder van moeders kant had geen druppeltje Aziatisch bloed. Twee blanke grootmoeders dus. Dat zal ook wel de reden zijn dat ik zo wit ben. Bruin worden is er voor mij niet bij. Als ik in de zon zit wordt ik knalrood en daarna ga ik vervellen. Deze grootmoeder, die met mijn Indische grootvader getrouwd was, liep altijd in sarong en kabaja. Zo'n mooie witte. Heur haar had ze hoog opgestoken. Zij had een broer die ook naar Indië kwam. Tijdens de malaise van vlak na de Eerste Wereldoorlog was er in Nederland geen droge boterham te verdienen. Er waren er heel wat die toen hun geluk in Indië beproefden. Oudoom leefde samen met een njai en dat deden de twee broers van mijn moeder ook. In onze familie werd daar absoluut niet moeilijk over gedaan. De ene had drie kinderen van zijn Chinese huishoudster. Deze vrouw werd ziek en overleed. Mijn moeder heeft er toen erg bij haar broer op aangedrongen dat hij zijn kinderen zou echten en dat heeft hij gedaan. Ze zijn haar daar altijd dankbaar voor geweest, want de situatie van niet erkende kinderen was helemaal niet gunstig. De andere broer van mijn moeder was een rare snuiter. Echt een artiest. Hij had heel wat in zijn mars, maar was op het gebied van financiën een totale onbenul. Als hij geld had kocht hij een vleugel die hij in zijn huisje in de kampong plaatste. Hij speelde heel goed piano. Dat had hij van zijn vader, die hofpianist bij Willem III was geweest. Meestal had hij niet zo lang plezier van die piano, want een periode van zorgeloosheid werd altijd gevolgd door een tijd van bittere armoede. De vleugel was dan het eerste dat de deur uitging. Iets van vastigheid was er in dat huishouden niet bij. Maar zijn Javaanse njai, zo'n heel klein tenger vrouwtje, heeft hem nooit in de steek gelaten. Het was een goed stel. In de jaren vijftig had ik een hele goede baan bij een Nederlands bedrijf. Eén keer in vijf jaar mocht je met verlof naar Nederland. In 1957 was het mijn beurt om te gaan. Maar ik wist al snel dat ik daar geen zin in had. Wat zou ik mijn verlof door brengen in dat koude kikkerland? In plaats daar van ging ik een wereldreis maken. Daar had men bij het bedrijf geen bezwaar tegen. Het enige waarvoor ik moest zorgen was om precies op de afgesproken tijd weer terug te zijn. Ik had dus van te voren geregeld dat een auto van de zaak mij op het vliegveld zou opwachten, zodat ik direkt na aankomst door naar mijn werk kon. Mijn laatste stop bracht ik door op een schapenfarm ergens in het binnenland van Australië. Op weg naar het vliegveld hoorde ik door de autoradio dat er een bom gegooid was naar Sukarno, maar dat hij niet geraakt was. Toen ik op Kemayoran aankwam was er niemand om mij op te halen. Daar werd ik knap zenuwachtig van, want ik wist dat je geweldig op je donder kreeg als je te laat op het werk kwam. Wat was er in vredesnaam aan de hand? Waarom toch die rommelige en gespannen sfeer? Ik begreep er niets van. Maar al gauw hoorde ik wat de reden was: diezelfde ochtend waren alle Nederlandse bedrijven genationaliseerd. Zo maar, pats boem, in één klap. Ik ben toen maar gewoon naar kantoor gegaan. Wat moest ik anders? De toestand was behoorlijk chaotisch. Natuurlijk! Maar het werk moest toch weer normaal doorgaan en daarom vroeg de nieuwe leiding mij of ik in ieder geval voorlopig nog wilde blijven. Dat heb ik gedaan. Tot begin 1958 heb ik daar gewerkt zonder ook maar ooit enige last ondervonden te hebben. Waarschijnlijk zou ik langer gebleven zijn als ik toen niet in het huwelijk was getreden. Mijn man kwam uit een Indo-Chinese familie en had evenals ik een volkomen Europese opvoeding gehad. Hij was dol op het roken van Hollandse sigaren en zijn favoriete kostjes waren zoute haring en groene kaas. Ons huwelijk heeft twintig jaar geduurd. In die tijd hebben wij heel wat kunst en antiek verzameld. ook na de scheiding ben ik daar mee doorgegaan. Ik houd zo van al die mooie dingen. Ik omring mij er mee. Ik leef er midden tussenin net als een eendje in het water tussen al het kroos. Al vóór mijn huwelijk had ik besloten warna negara te worden. Niet zo zeer uit principiële overwegingen, maar veel meer om gevoelsmatige en ook wel praktische redenen. Als buitenlander mocht je geen land bezitten en dat zou betekenen dat ik mijn grond zo snel mogelijk en waarschijnlijk voor een appel en een ei zou moeten verkopen. Daar voelde ik helemaal niets voor. Maar afgezien daarvan, toen wist ik al net zo zeker als nu, dat ik in Nederland nooit zou kunen wennen. Al die regen en wind. Verschrikkelijk! En dan dat gedoe met die bussen en trams. Ik maak daar nooit gebruik van. If you want to see me, you have to pick me up En dat doen ze, mijn vrienden daar. Want ik kom er nog vrij vaak zeker toen mijn moeder nog leefde. Mijn moeder heeft haar oude dag in een bejaardenhuis ergens in de randstad doorgebracht en eigenlijk was zij daar diep ongelukkig. Niet dat de verzorging niet goed was, nee, dat was het niet. Maar ze voelde zich verloren. De mensen in haar buurt waren aardig. maar echt klikken deed het niet. Ze hadden het over de begonia's achter de vitrages, terwijl mijn moeder dacht aan de bamboestruik voor het platje. Ze trok het meest naar Indische mensen. En dat doe ik ook als ik in Holland ben. Hier in Indonesië bestaat niet zoiets als een Indisch circuit. Ik heb er teminste nooit iets van gemerkt. Je gaat gewoon met de mensen om die je aardig vindt. Maar in Nederland is dat heel anders. De Indische mensen vormen daar nog een beetje een aparte groep. En als ik daar ben maak ik er ook deel van uit. Dat wil ik zelf. Je voelt je er nu eenmaal bij thuis. een min of meer gemeenschappelijke achtergrond schept kennelijk toch een band. Ik ben er graag, voor even, maar dan heb ik het ook wel weer gezien. Mijn beslissing om hier te blijven is goed geweest. Het was niets geworden met mij daar in Nederland.
|