Indo's in Indonesië V
Mevrouw Nasution
Mevr. Sunarti Nasution, meer bekend als Ibu Nas, houdt zich al sinds jaar en dag bezig met het opzetten van en leiding geven aan sociale instellingen voor geestelijk en lichamelijk gehandicapte kinderen. Met die activiteiten is zij al vrij spoedig na haar trouwen (1948) met de bekende generaal Abdul Haris Nasution uit zijn schaduw getreden. Mevr. Nasutions moeder was een Nederlandse, die met de Indonesi‰r ingenieur Godakusumo was getrouwd.
"Mijn ouders zijn getrouwd in een tijd dat
een gemengd huwelijk nog absoluut niet gewoon was. Zij leerden elkaar omstreeks
1920 kennen bij gemeenschappelijke Indonesische vrienden in Nederland. Mijn
vader was als telg uit een regentengeslacht voorbestemd om bij het Binnenlands
Bestuur (BB) terecht te komen. Daar had hij helemaal geen zin in, maar hij zou
zich er niet aan kunnen onttrekken. Tenminste niet als hij in Indi‰ bleef.
Daarom ging hij stilletjes mee met een groep bannelingen die het Indische
goevernement niet welgevallig was en op de boot naar Nederland werd gezet
Vader ging in Delft studeren. Hij heeft vier jaar over de studie gedaan en was
toen ingenieur. Snel daarna kreeg hij in Indi‰ een baan bij de spoorwegen.
Omdat hij daar in dienst kwam kreeg hij dezelfde rechten als een Europeaan. Dat
betekende dat hij om de zeven jaar recht had om met Europees verlof te gaan.
Vader heeft daar nooit gebruik van gemaakt. Hij wilde niet in dienst van de
Nederlanders blijven. Hij nam ontslag en richtte toen de eerste Indonesische
bank op.
Mijn 100 % Nederlandse moeder heeft altijd pal achter mijn vader gestaan. Het
was een heel goed harmonisch huwelijk en dat had in ieder geval de familie in
Nederland niet verwacht Een verbintenis van twee mensen van zo'n verschillende
cultuur, die was tot mislukken gedoemd. "Kind, hoe durf je het aan? Weet je
wel dat je daar altijd op de grond moet zitten? En een kopje om uit te drinken
krijg je ook niet, daar gebruiken ze in dat land gevouwen pisangbladen
voor".
Natuurlijk was mijn moeder daar ook wel een beetje ongerust over, maar het
besluit stond vast, kome wat er van komen zou. En mijn moeders moeder, die
weduwe was, besloot mee te gaan. Ook dat was zeer ongebruikelijk, maar
grootmoeder was een avontuurlijke vrouw. Ze wou dat andere leven ook wel eens
meemaken en bovendien wilde ze bij haar dochter in de buurt blijven.
Vader haalde hen in Surabaya van de boot. Het huis waarin zij zouden wonen was
nog niet klaar. Tot die tijd zouden ze bij zijn zuster logeren. Deze tante van
mij was getrouwd met een regent en woonde in een typisch regentenhuis met een
grote pendopo. Toen mijn moeder dit zag riep zij uit: "Waarom breng je ons
naar een hotel? Wij zouden toch bij je zuster gaan logeren?" Het was een
plezierige verrassing. 'sAvonds stond het eten klaar en met een beetje angstige
spanning begaven mijn moeder en grootmoeder zich naar het eetvertrek. Wat zou
hun te wachten staan? Zouden zij moeten hurken op de grond voor een matje?
Moesten zij inderdaad eten met hun handen uit een pisangblad? Maar nee, niets
van dat alles. De tafel was feestelijk gedekt, compleet met borden, messen,
vorken en lepels. Dat viel werkelijk alles mee: "Kijk nou toch, het is
precies zoals bij ons!"
In 1923 werd ik geboren. Mijn broers en ik hebben een alleszins gelukkige jeugd
gehad. Het geluk van onze ouders straalde op ons af. Het was bekend dat veel
gemengde huwelijken weinig kans van slagen hadden, maar bij mijn ouders is het
heel anders gegaan. Zij voelden elkaar perfect aan.
Zowel vader als moeder waren sociaal erg bewogen. Moeder was leidster van de
jeugdvereniging Jong Java. Zij zat ook in de gemeenteraad van Surabaya en hield
zich vooral bezig met armenzorg. Zij voelden zich zeker niet te goed om ver weg
de kampongs in te gaan. Haar sterk ontwikkelde gevoel voor rechtvaardigheid kwam
regelmatig in botsing met de heersende toestand. "Waarom", zo vroeg ze
aan goeverneur Van der Plas (van Oost-Java), "krijgen de arme Nederlanders
tien cent en de inlanders maar twee? Denkt u dat een blanke lege maag verschilt
van een bruine lege maag?"
Moeder kon goed organiseren. Dat zat haar gewoon in het bloed en ik denk dat ik
die aanleg ge‰rfd heb. Voor het eerst ontdekte ik dat eigenlijk in 1948, toen
mijn man - als hooggeplaatste militair - mij vroeg onderwijs e.d. voor de
vrouwen en kinderen van de soldaten te regelen. Dat ging mij goed af en ik vond
het leuk om te doen. Later was ik, samen met anderen, in de gelegenheid een
flink aantal sociale projecten op te zetten. Dit werk gaat nog steeds door en
breidt zich voortdurend uit.
Terwijl moeder dus druk bezig was met haar eigen werk. deed grootmoeder voor een
groot deel de huishouding en dat vond ze fijn. Ze was heel streng, maar ook heel
lief. Jarenlang heb ik met haar op de kamer geslapen en dat zal wel een extra
band geven. In ieder geval hield ik erg veel van mijn grootmoeder. Zij was echt
een keukenprinses en leefde zich uit in het maken van allerlei heerlijke
gerechten. De juiste verhouding werd goed in het oog gehouden: ‚‚n keer per
dag typisch Indonesisch eten en ‚‚n maal puur Hollandse kost. Zo heb ik door
haar balkenbrij leren eten en grutjes en rijst met boten en suiker. Nog steeds
vind ik dat heerlijk!
Grootmoeder hield ook erg veel van tuinieren en bloemen. Vaak ging ik met haar
naar ons huis in de bergen en dan leerde zij mij de namen van de planten. Haar
lievelingsbloemen waren hortensia's 'n geraniums. Altijd nog als ik deze bloemen
zie denk ik aan haar.
Voor Indonesi‰rs van goede familie en met een goede positie bestond de
mogelijkheid om officieel gelijkgesteld te worden met Nederlenaders. Mijn vader
heeft dat om principi‰le redenen altijd geweigerd. Maar omdat mijn moeder van
geboorte Nederlandse was werd ik toch toegelaten tot de Europese lagere school.
Zeker in die tijd was een Europese school te prefereren boven een 'inlandse'.
Iedereen wil zijn kind natuurlijk zo veel mogelijk meegeven en het inheemse
onderwijs stond toen in het algemeen nog op een lager peil. Als het enigszins
kon koos je dus voor een gedegen Europese schoolopleiding.
Het lag natuurllijk voor de hand dat ik, evenals mijn klasgenoten, na de zesde
klas van de lagere school toelatingsexamen voor de HBS deed. Ik slaagde, maar
even zo goed moest ik nog toelatingsexamnen voor de MULO doen ook. Wat een
idiote toestand! Ik heb mij verder niet drukgemaakt over deze absurde regel,
want ik kon gewoon naar de HBS en kreeg dus de beste schoolopleiding die in die
tijd mogelijk was. Dat dit niet als vanzelf hand in hand hoefde te gaan met een
gevoel van superioriteit hebben mijn ouders wel bewezen. Zij hebben mij altijd
voorgehouden: "Dit is jouw volk. Het heeft veel nodig. Gezondheid,
onderwijs etc. Strijd voor hen. Zorg voor makmur en adil (welzijn en
gerechtigheid). Dat is jouw plicht. Dat is de plicht van jouw generatie".
Deze houding was voor mij volstrekt vanzelfsprekend en in mijn na‹viteit dacht
ik dat dit voor iedereen zo gold. Dat was een vergissing. In ieder geval lag dit
voor ‚‚n van mijn leraren wel eventjes wat anders. Wij kregen de opdracht
een vrij opstel te maken. Ik koos als onderwerp wat ik zoal te zien kreeg
wanneer ik met mijn vader de kampongs en de desa's in ging. Ik had het over de
leefwijze in het algemeen, maar zeker ook over de misstanden. Dat werd mij niet
in dank afgenomen. De leraar werd razend, noemde mij een communiste en beval mij
direct het opstel over te maken. Ik was totaal onthutst; zo'n reactie had ik
zeker niet verwacht.
Mijn ouders kalmeerden mij: "Maak je er maar niet te druk over, zo zijn ze
nu eenmaal. Altijd hebben ze de mond vol over de rechtmatigheid van de 80-jarige
oorlog, maar voor de even rechtmatige vrijheidsstrijd voor ons bestaat geen
enkel begrip."
Ik vond het een zeer schokkende ervaring. Naar mijn mening ligt de oorsprong van
het superioriteitsgevoel van veel Indo's dan ook veel meer in de hoogmoedige
houding van de ouders, onderwijzers en andere opvoeders, dan in het pure feit
dat je Europees onderwijs genoten hebt.
Mijn ouders hebben mij heel bewust als Indonesische opgevoed. Ik besef meer en
meer hoe belangrijk dat geweest is. Het ontberen van een identiteit, zoals dat
naar mijn gevoel bij veel Indische mensen het geval is, moet erg frustrerend en
verwarrend zijn. Als vanzelf zoek je dan je heil bij een groep waar je graag bij
wil horen, maar die jou eigenlijk niet zo ziet zitten. Je moet constant op je
tenen staan en dan nog lukt het niet. En als het je met de paplepel ingegoten is
dat je toch wel een stuk beter bent dan de 'inlanders', dan moet het ook wel
moeilijk zijn om je niet verongelijkt te gaan voelen. Een zogenaamde 'westerse'
opvoeding heeft hier niets mee te maken.
Bij ons thuis werd veel over politiek gesproken. Vader was een uitgesproken
nationalist. Hij liet geen gelegenheid voorbij gaan om duidelijk te maken aan
welke kant hij stond. Zo kon hij bijvoorbeeld het personeel van de bank uit
volle borst het Indonesia Raya (ons volkslied) laten zingen in een tijd dat dit
volstrekt verboden was. En mijn moeder was het daar helemaal mee eens: Indonesi‰
moest voor de Indonesi‰rs zijn. Ik geloof niet zij zich met dit standpunt ooit
enig geweld heeft aangedaan.
Hoewel ik dus 'gemengdbloedig' ben, reken ik mijzelf zeker niet tot de Indiasche
bevolkingsgroep. Ik ben Indonesische en daar ben ik blij om. Ik zou het niet
anders wensen."