INDOS DIE IN INDONESIË BLEVEN WONEN
Deel I van een serie van acht
Koen D. werkt bij een grote internationale instelling. Hij woont met zijn tweede vrouw en vijf kinderen in een kampong aan de rand van de stad. Door zijn slanke postuur, zijn rood-bruine haar, zijn lichtbruine huid en zijn blauwe ogen is hij een zeer opvallende verschijning. Hij is nu 46 jaar en nog nooit in Nederland geweest.
"Ik ben wat je noemt een warga negara, maar geen pribumi, niet een volbloed Indonesiër. Mijn grootvader van moederskant kwam uit Duitsland. Hier trouwde hij met een Boeginese uit Makassar (nu Ujang Pandang). Dat huwelijk duurde niet lang. Na de scheiding hertrouwde grootvader met een Duitse vrouw uit Bandung. Kort daarna vertrokken zij naar Duitsland. Misschien was het ook wel Nederland, want ik herinner mij gehoord te hebben dat zij in Baarn woonden. Hij is intussen overleden, maar ik geloof dat zij nog leeft. We hebben helemaal geen contact meer met haar.
De vader van mijn vader was een Belg. Hij trouwde met een Indonesische vrouw uit Surabaya. In 1952 werd ik geboren in de legerplaats Cimahi. Mijn vader was beroepsmilitair bij het KNIL (geweest) en tot de soevereiniteitsoverdracht bewogen mijn ouders zich vooral in Europese kringen. Toch moet vader toen al sympathie hebben gekoesterd voor de nationalisten, want toen de overdracht eenmaal een feit was is hij in dienst getreden van de TNI. Dat betekende dus dat hij besloten had om Indoneisch staatsburger te worden. Het kan ook best zijn dat andere factoren een rol hebben gespeeld. Dat weet ik niet. Ik heb er nooit met hem over gesproken.
Na zijn pensioen had hij een boerderij. Ik was toen nog maar een jongetje, dus ik weet dat niet meer zo precies, maar ik weet wel zeker dat we het toen niet arm hadden. Omstreeks 1960 werd dat anders. Vanwege de politieke situatie werd het mijn ouders als Indos wel er moeilijk gemaakt, ondanks het feit dat zij officieel Indonesische staatsburger waren. Zij hebben geprobeerd als spijtoptant naar Nederland te gaan, maar ze kregen geen visum. Naar ik gehoord heb kwam dat omdat onze familie in Europa geen contact meer met ons wilde hebben.
Er brak toen een hele zwarte tijd aan. Met de boerderij ging het niet meer en bovendien werd vader ernstig ziek. Vier jaar heeft dat geduurd, toen is hij overleden. Al ons geld ging op een doktersrekeningen en medicijnen. Een tijd lang hadden wij alleen rijst en ubi te eten.
Ik was de op één na oudste en voelde mij zeer verantwoodelijk voor het gezin. Mijn oudste broer wilde er niets mee te maken hebben. Hij was een echte avonturier en zwierf de hele archipel door.
Omdat er geen geld was kon ik ook niet meer naar school. Ik heb dus ook geen enkel diploma. Maar ook als ik wel een vervolgopleiding had gehad had ik ik waarschijnlijk toch geen baan kunnen vinden. In die tijd waren Indos hier niet geliefd.
Het spijt mij wel dat het toen niet gelukt is naar Nederland te gaan. Ik denk dat ik liever daar zou wonen. Ik kan eigenlijk niet zo goed uitleggen waarom. Misschien komt het door de Nederlandse opvoeding die wij thuis hebben gehad. Daar werd streng de hand aan gehouden. Ook met het eten. Nog steeds eet ik liever aardappelen dan rijst.
Op school stonden wij, mijn broertjes, zusje en ik, een beetje apart. Het is moeilijk te zeggen waaraan je dat merkte; je voelde het gewoon. En eigenlijk is dat altijd zo gebleven. Tot nu toe. Dat komt natuurlijk ook door mijn blauwe ogen, daarmee val je hier wel op. Ik word vaak nageroepen: hé bulé, of dag meneer. Dat vind ik niet fijn. Ik voel me dan een beetje minder. Net of je een treedje lager staat. Het zal wel als een grapje bedoeld zijn, maar als je steeds maar weer merkt dat je wat anders bent dan gaat dat wel vervelen. En als ik samen met mijn zusje op straat loop, adu, dan is het echt verschrikkelijk. Dat doe ik zo min mogelijk.
Ook verder ga ik maar zelden uit. Ik heb er geen zin altijd zo aangestaard te worden. Op de pasar merk ik het ook. Soms vraagt mijn vrouw of ik boodschappen voor haar wil doen. Dat doe ik alleen als het echt niet anders kan. Ik wil haar wel helpen, maar dan liever in huis. En ik waarschuw haar altijd van te voren dat zij niet boos moet worden als ik meer geld uitgeef dan zij. Ze laten me altijd meer betalen. Echt waar, hoor.
Natuurlijk zijn er ook fijne dingen hier. De familie van mijn Indonesische vrouw heeft mij volkomen geaccepteerd. Ze vinden mijn blauwe ogen zelfs wel leuk en ze zijn erg lief voor mij. Toen mijn vader overleden was en ik geen geld voor de begrafenis en voor de grafsteen had, hebben de buren daar met elkaar voor gezorgd. Daar was ik zo door ontroerd. Echt geweldig vond ik dat.
Misschien is juist wel door dit soort dingen dat ik mij vaak zo verscheurd voel. Als ik de kans krijg zou ik het liefst nog vandaag naar Nederland gaan. Maar tegelijkertijd besef ik heel goed, dat ik waarschijnlijk veel meer Indonesisch ben dan ik mij bewust ben.
Uit volle overtuiging ben ik indertijd islamiet geworden. Dat was een vrije keuze. Ik werkte als arbeider met mensen die allemaal moslim waren en ik heb toen veel met hen hierover gepraat, Mijn ouder waren protestant en ik dus ook, maar het christendom deed mij niet zo veel. Pas door de islam voelde ik mij echt gegrepen. Teon was mijn vader trouwens al overleden. Mijn moeder respecteert mijn keuze. Als je maar gelooft, dat vindt zij het belagrijkste. Op welke manier je dat doen wilt dat moet je zelf weten. Toen ik moslim werd heb ik ook een andere achternaam gekregen. Mijn oorspronkelijke dubbele, Franse familienaam gebruik ik nooit meer.
Ook door mijn geloof pas ik hier waarschijnlijk veel beter dan in Holland. En toch houd je steeds het gevoel dat Nederland eigenlijk jouw land is. Dat is vaak zo verwarrend. Ik weet niet zo goed wat ik met dat gevoel doen moet. Vooral voor mijn kinderen zou het beter zijn om naar Nederland te gaan. Ik heb nu wel een goede baan, maar dat betekent niet dat ik de universiteit kan betalen. Daarvoor moet je echt veel meer geld hebben. En dat vind ik erg jammer, want mijn kinderen zijn bijna altijd nummer één op school. Voor een vervolgopleiding is geld het belangrijkste. Of je Indo bent of niet heeft er, denk ik, niet zo veel mee te maken. Indonesiërs met hetzelfde salaris als ik kunnen hun kinderen ook niet naar de universiteit sturen.
In Nederland hebben ze wel toekomst en ik denk dat ik daar wel een baan kan vinden. Ik heb gehoord dat de mensen daar niet graag vies werk doen. Mij kan dat niet schelen, althans niet in Nederland. Als ik moet zou ik zelfs straatveger of zo kunnen worden. Hier zou ik dat werk nooit doen. Maar in Nederland is dat anders, daar ben je allemaal blanken. Dat maakt alles uit, dan zou ik ook wel vuilnisman willen worden. Daar zou ik mij geen buitenlander voelen, zoals hier.
Verder vind ik het niet zo erg om niet veel geld te hebben. Ik weet niet hoe het komt, maar als je weinig geld hebt gaat het eigenlijk beter. Als je meer hebt om uit te geven krijg je te kort. Dan koop je allerlei dingen die je niet nodig hebt. We hebben genoeg te eten. Dat is denk ik hier ook wel gemakkelijker dan in Nederland. Hier groeit altijd wel wat eetbaars en bovendien help je elkaar ook steeds weer. Sparen lukt niet. Het geld gaat iedere maand schoon op. Mijn vrouw krijgt mijn hele salaris en en dat beheert zij goed. Alleen houd ik wel in de gaten of mijn kinderen goed te eten krijgen.
Och, eigenlijk is het toch wel een fijn land. Als je maar niet altijd zo aangestaard zou worden en als het maar wat gemakkelijker was om vrienden te krijgen. Voor mij is het moeilijk om echt vrienden te zijn met Indonesiërs. Im merk dat ik altijd afstand houd. Het is niet dat er niveauverschil is. Dat is echt niet zo, maar mijn manier van doen is anders. Ik ben veel losser dan zij. Het cocokt gewoon niet. Waar mijn Indo-vrienden van vroeger allemaal gebleven zijn weet ik niet. Het lijkt wel of ze opgelost zijn. Nooit zie ik meer eentje en dat vind ik jammer. Met een andere Indo zou ik over dat verwarrende gevoel kunnen praten. Dat zou vast wel schelen. Misschien zou ik dan beter begrijpen waarom ik er zo naar verlang om naar Holland te gaan, terwijl ik mij toch wel erg met Indonesië verbonden voel.
Emma de Bruyn Kops, 1995