Kleio: Indië special

Recensie van de 'Indië special' of het decembernummer 2000 van 'Kleio': tijdschrift van de vereniging van docenten in de geschiedenis en staatsinrichting in Nederland (VGN).
Met het oog op het nieuwe examenonderwerp geschiedenis van 2001 en 2002 presenteert de redactie van Kleio de lezers een 'special' rondom 'Nederland en Indonesië, vier eeuwen contact en beïnvloeding'. In het eerste artikel getiteld 'Ontmoeting, verbintenis en scheiding' is opgenomen een "Gesprek met leden van de stofomschrijvingscommissie 'Nederland en Indonesië' ". In dit gesprek gaan drie leden van die commissie: Jeroen Touwen (Indiëspecialist), Jan de Valk (docent en vakdidacticus) en Theo van Zon (docent) in op vragen uit het veld over de totstandkoming van de stofomschrijving voor het nieuwe examenonderwerp geschiedenis. Het globale thema dat de minister van Onderwijs hen had opgegeven, was: Nederland en Nederlands-Indië van de zeventiende eeuw tot nu. De opdracht was dat het moest gaan over een ontmoeting tussen twee culturen over een langere periode. Daarbij werd bepaald dat het de vorm zou krijgen van een lang overzichtsverhaal in plaats van een thema beperkt in de tijd. De stofomschrijving is door de commissieleden tezamen geschreven waaraan discussies over de periodisering en tijdsvakken vooraf zijn gegaan. Daarna formuleerden ze de hoofdvraag en ging iedereen met 'de handboeken erbij aan de slag om stukken te schrijven'. De hamvraag die ik hierbij stel is: welke handboeken hebben de commissieleden gebruikt? Hierover wordt verder in het artikel geen informatie verstrekt en dit ervaar ik als een groot gemis. Verder werd tijdens het schrijfproces de hulp van vakgenoten als Fasseur, Van den Doel en Locher Scholten ingeroepen die het concept lazen en de samenstellers wezen op kleine feitelijke onjuistheden en misinterpretaties. Na het lezen van dit artikel is mijn eerste indruk dat bij 'geschiedschrijving' het uit de aard der zaak gaat 'over het opschrijven van gebeurtenissen die zich in een recent of reeds ver in de tijd gelegen verleden hebben afgespeeld'. Daarbij bestaat een grote kans dat de beschrijving van de geschiedschrijver of historicus gekleurd wordt door de ideeën die in het tijdperk opgang maken waarin hij zelf leeft. Terwijl aan het begin van de twintigste eeuw de Nederlandse geschiedenisboeken prat gaan over wat voor groots werk de Nederlanders hebben verricht in de Oost, is het in de 21ste eeuw niets anders dan politiek correct om het koloniale verleden van Nederland in de Indonesische archipel af te wijzen. Deze ietwat moralistische toonzetting is ook terug te vinden in de stofomschrijving van het examenonderwerp geschiedenis van 2001 en 2002. Het koloniale bestuur in de Indonesische archipel had stellig goede en slechte kanten, maar gezien vanuit de tijd waarin we nu leven is het Nederlands-Indische koloniale stelsel 'niet te rechtvaardigen'. Dit is de didactische boodschap die de samenstellers meegeven aan de stofomschrijving van het nieuwe examenonderwerp geschiedenis en waarover naar hun oordeel in de klas uitvoerig kan worden gediscussieerd. Dit komt overeen met reacties die ik de laatste tijd tegenkom in de omgang met Nederlanders die geen persoonlijke binding met Nederlands-Indië hebben wanneer de kolonie Nederlands-Indië in een gesprek ter sprake wordt gebracht. Het lijkt wel de heersende en algemene opinie van dit moment in Nederland te zijn: 'de Nederlanders hoorden niet thuis in Indonesië en hadden er niets te zoeken'. Deze mening klinkt ook door in de recensie achter in de Indië special die Tom van der Geugten heeft geschreven over het boek van C.V. Lafeber, 'Met klewang en knuppel. Vierhonderd jaar Nederlands-Indonesische betrekkingen' (2000). Uit het gesprek met de commissieleden, zoals dat in het decembernummer van 'Kleio' is opgenomen, wordt mij in ieder geval één ding goed duidelijk dat de stofomschrijving vooral vanuit Nederlands perspectief is geschreven. Dit geven de leden ook toe. De reden hiervoor zou zijn dat er weinig inheemse bronnen zijn waarmee je de invloed van Nederland op de inheemse samenleving kunt aantonen. In het tweede artikel 'De band verbroken' in de Indië special van de hand van Wim van den Doel treffen we dezelfde toonzetting van 'politiek correct' willen zijn aan, gelijk al aan het begin van het artikel: 'Dat de band tussen Nederland en Indonesië ooit verbroken zou worden, was in zekere zin onvermijdelijk en werd ook door koloniale denkers geaccepteerd'. Persoonlijk geeft deze woordkeuze al opmerkelijke veranderingen aan in de gezichtspunten van de historicus Wim van den Doel in de afgelopen jaren. In het eerste boek over 'Nederlands-Indië' van zijn hand met de titel 'Het Rijk van Insulinde' geeft hij een gedetailleerde opsomming van historische gebeurtenissen in de Indonesische archipel onder Nederlands bestuur doorspekt met prachtige illustraties uit dit verleden waaruit de ver- en bewondering van Van den Doel voor deze belangrijke periode uit de Nederlandse geschiedenis blijkt. Aan het begin van de twintigste eeuw was een relatief kleine groep van honderdduizend (totok-)Nederlanders er toch maar in geslaagd een imperium zoals Nederlands-Indië te vestigen en te besturen. Daarentegen laat hij in zijn laatste boek 'Afscheid van Indië' in vergelijking tot zijn boek uit 1996 meer kritische geluiden horen vooral over de houding van de Nederlanders aan het eind van de koloniale periode ten aanzien van de Republik Indonesia tijdens de onderhandelingen over de staatkundige toekomst van het Indonesische eilandenrijk. In het artikel 'De band verbroken' in Kleio laat Van den Doel zien hoe Nederland en het voormalige, overzeese rijksdeel zoals die werd vertegenwoordigd door de Republik Indonesia na 1945 uit elkaar dreven en dat werd hoofdzakelijk veroorzaakt door een gebrek of onvermogen van de Nederlanders om de na de oorlog ontstane realiteit van het bestaan van de Indonesische republiek te aanvaarden 
In het derde artikel 'De waaier van het fortuin' door Joop de Jong, gaat hij op grond van door hem verrichte studie - die geresulteerd heeft in zijn historisch overzichtswerk 'De waaier van het fortuin' (eerste druk 1998) - in op belangrijke zaken, zoals de vraag 'Waarom de Nederlanders handel gingen drijven in de Indonesische archipel en waar het hen om te doen was'? Op overtuigende wijze laat hij zien welke vorm de Nederlanders gaven aan hun economische activiteiten in het toenmalige Azië. Verder beschrijft hij hoe de Nederlanders in dienst van de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) zich aanpasten aan de situatie(s) die zij in Azië aantroffen en hoe de uitbreiding van hun macht in deze gebiedsdelen tot stand kwam. Naar mijn mening heeft de Jong hiermee een zeer geslaagd artikel geschreven, vooral omdat hij daarin resultaten uit zijn historische onderzoek naar deze materie heeft verwerkt. 'Molukkers in het eindexamen geschiedenis' is het vierde artikel in Kleio en bevat kritische aanmerkingen van Magdaleen Kingmans en Henk Smeets op de beschrijving van de casus Molukkers als onderdeel van het eindexamen geschiedenis 2001 en 2002. Behalve dat daarin veel informatie die leerlingen nodig hebben om zinnig met voorgelegde bronnen om te gaan, ontbreekt, bevat hij zelfs nog storende fouten. Volgens de auteurs is de stofomschrijving waar het gaat om de Molukse geschiedenis, en met name die van de Molukse casus, slecht. Vervolgens gaan ze in het artikel nader in op de fouten en manco's en geven in reactie hierop juiste of noodzakelijke toelichtingen om een goed beeld te scheppen van de omstandigheden waarin de Molukkers verkeerden toen ze in 1951 werden ingescheept naar Nederland, de reden voor hun komst naar Nederland en de omstandigheden waarin ze bij aankomst in Nederland kwamen te verkeren. Terecht wijzen de auteurs op de grote verantwoordelijkheid van de Nederlandse regering jegens deze groep Molukse mensen die in het begin alleen maar een 'tijdelijk verblijf' werd aangeboden hier ter lande. In het vijfde artikel getiteld 'Het beeld van tempo doeloe' toont Tom van der Geugten hoe leerlingen praktisch aan de slag kunnen gaan met de bestudering van filmbeelden van Nederlands-Indië in het kader van het eindexamenonderwerp geschiedenis. Tenslotte vinden we achter in de Indië special Tom van der Geugtens bespreking van het boek 'Vertrouwd en vreemd" (2000) onder de redactie van Esther Captain, Marieke Hellevoort en Marian van der Klein. Hierna volgen nog opmerkelijke recensies van pas verschenen boeken, zoals onder andere: 'Uit Indonesië - de erfenis van de soevereiniteitsoverdracht' (redactie Martin Elands), 'Afscheid van Indië' (H.W. van den Doel), 'Soekarno' (Lambert Giebels), 'De oorlog in Indië. Zes verhalen' (Twee Fase ICT-Lespakket, Utrecht). Verder is er geheel achter in dit nummer een verslag te vinden van de Geschiedenisdagen van 17 en 18 november 2000 in Amsterdam dat de veelbelovende titel draagt: 'De geschiedenisdagen terugblik op een unieke ontmoeting van vakgenoten'. De artikelen in de Indië special van Kleio die handelen over de historische betrekkingen tussen Nederland-Indonesië in een tijdsbestek van vier eeuwen, stemmen mij met voldoening. De verschillende visies van de auteurs die in de artikelen van dit Kleio nummer naar voren zijn gekomen, maken in ieder geval duidelijk dat over dit onderwerp nog lang niet het laatste woord is gesproken en hierover nog vele interpretaties mogelijk zijn. Ieder tijdperk en elke samenleving waarin mensen leven heeft zo zijn eigen wijze om tegen het verleden aan te kijken. Dit geldt met name voor de toekomst waarin mensen in Nederland en in het buitenland wellicht op een andere manier kijken naar de historische betrekkingen tussen Nederland en Indonesië, dan dat wij dat nu doen.

Rob Dumas Indië special 
April 2001 Kleio, nummer 8 december 2000
Den Haag: VGN 
ISSN: 0165-6449