Een reisverslag rond Lombok.

Na aankomst in Mataram, de hoofdstad van Lombok, ben ik neergestreken in Senggigi. In deze toeristenplaats bij uitstek is de crisis sterk voelbaar. De stranden en aangrenzende hotels en losmens zijn nagenoeg leeg. De weinige buitenlanders zitten verzameld op enkele terassen, waar om de minuut een verkoper van horloges, houtsnijwerk en T-shirts voorbij komt. Het straatbeeld wordt bepaald door de lokale bevolking. Geen flanerende blanken. Alleen de talloze lege dokars - 'Transport mister?'- herinneren aan betere tijden. De verkopers klagen steen en been. Met name de Nederlandse toeristen laten het massaal afweten. 'De mensen hoeven niet bang te zijn', vertrouwt Nico, een horloge-verkoper, me toe. 'Het is veilig op Lombok.' De rellen, een dag eerder in Mataram, doet hij af als gekte. 'That people are crazy.' Maar overtuigend klinkt het niet. Een kledingverkoper daarentegen spreekt duidelijke taal. Als ik na enige onderhandelingen twee overhemden van hem koop, is zijn boodschap; 'Ik hoop u nog eens terug te zien, maar niet eerder dan over tien jaar.'

In een losmen aan zee kost een kamer 50.000 rupiah. Aan de hoofdstraat betaal je 35.000. Met AC. Ik kies voor het laatste en word 's avonds voor mijn Hollandse zuinigheid gestraft. Aan de overkant van de straat breekt om negen uur een rockband los. Tot drie uur in de nacht worden mijn trommelvliezen geteisterd door gillende gitaren en een rampzalige zanger wiens Engelse uitspraak me tot op het bot irriteert. Voor mijn gevoel lig ik daarna nog uren wakker, waardoor ik me de volgende ochtend verslaap en de boot naar Gili Trawangan mis. De beheerder van Blue Coral, een van de vele duikscholen die Senggigi rijk is, heeft echter een goed alternatief; een gemotoriseerde vissersprauw haalt me om drie uur op van het strand.

De schipper is geen man van woorden. Ik weet niet of het verlegenheid is of een gevolg van zijn handicap. Hij heeft namelijk een enorme hazenlip. De verticale gleuf onder zijn neus is zo groot dat hij me, geholpen door zijn verbleekte Marlboro-shirt, doet denken aan een sigarettenautomaat. We zijn nog maar nauwelijks onderweg, als er een flinke wind begint op te steken. Na een kwartier melden de eerste schuimkoppen zich en verandert de vriendelijk kabbelende Straat van Lombok in een woeste achtbaan. In onregelmatig tempo wordt de draagarmboot een meter de lucht in getild om vervolgens met een harde klap op het water terecht te komen. Ik moet me goed vasthouden om niet overboord te worden geslingerd. Het natuurgeweld deert Hazenlip niet. Onverstoorbaar loodst hij zijn lading naar veilige haven. Na een tocht van twee en een half uur, die normaliter nog geen uur duurt, zet hij zijn drijfnatte passagier en dito bagage op het strand van Gili Trawangan. Pas bij het afscheid breekt zijn gezicht in een glimlach.

Gili Trawangan ligt samen met Gili Meno en Gili Air voor de noordwestkust van Lombok. Vanuit de lucht gezien lijken de eilanden net flagstones. In werkelijkheid zijn ze niet veel groter; je loopt er in anderhalf uur omheen. Behalve een paar aftandse fietsen en een tiental dokars is er geen verkeer en het wegennet bestaat uit zandpaden en karresporen. Op Gili Trawangan draait het toerisme op volle toeren. Voor het eerst sinds mijn verblijf in Indonesië lijkt er van een crisis weinig merkbaar. De sfeer op het eiland doet me denken aan het hippie-tijdperk. Je struikelt over de backpackers, voor wie de goedkope losmens en witte stranden een weldaad zijn. In verschillende eethuisjes hangt de onmiskenbare geur van hasj en voor de twijfelaars staan op verschillende borden langs de straat space-cake en magic mushrooms aangeprezen. 'Fresh, today'. Ik hou het maar bij een, overigens voortreffelijke, vismaaltijd. Agus, een jonge Balinees die hier zijn kost verdient als ober, lacht schamper als ik mijn verwondering uitspreek over de vrijheid waarin de geestverruimende middelen worden verhandeld. 'De politie heeft hier geen post. Ze komen één keer per week vanuit Lombok. We betalen ze, laten ze lekker eten en hebben nog nooit problemen gehad,' zegt hij.

Na een dag toeven in de drukke hippie-kolonie, besluit ik toch maar het buureiland Gili Meno op te zoeken. Dat blijkt een stekkie naar mijn hart. Het is er een stuk rustiger; langs de kust een paar trosjes paalwoningen, een viertal warungs waar je voor 4.000 rupiah heerlijk kunt eten en een enkel winkeltje met snuisterijen. Daarachter de eenvoudige paalwoningen van de eilanders. Het zijn vooral jongeren die de toeristen bedienen. De oudere mannen vissen of werken op Lombok. Een enkeling is dokarchauffeur. De vrouwen houden zich naast de huishouding bezig met het pellen van klappers en het kweken van een soort zeewier voor het maken van agar-agar. De stroomvoorziening op het eiland wordt tot elf uur verzorgd door een dieselaggregaat. Daarna heerst er absolute stilte en duisternis. Water om te mandiën of te douchen wordt van een meer betrokken dat midden op het eiland ligt. Het is brak en ruikt naar stilstaand water, maar ziet er helder uit. Drinkwater wordt samen met frisdrank, bier, rijst en andere levensmiddelen dagelijks per boot bezorgd.

De weinige toeristen vermaken zich overdag met snorkelen of duiken. Ondanks dat vele koraalriffen ten prooi zijn gevallen aan dynamietvissers, zijn de onderwaterpanorama's absoluut het bekijken waard. Ongevaarlijk is het niet. Vlak langs de kust kan plotseling de schaduw van een draagboot over je heen schuiven en verder op zee, twintig meter diep, neemt een sterke stroming je mee langs scherpgetande koraalriffen naar een andere wereld. Op het strand heerst echter weer de harde werkelijkheid. Schoolkinderen leuren met prullaria en verse vruchten. Ani, hooguit tien jaar, schilt een verse ananas en snijdt er prachtige figuren in. Voor 2.000 rupiah. Ze koopt de vruchten op de pasar in Mataram. 'Vorig jaar betaalde ik 500 rupiah, nu kosten ze soms wel 1.200. Krisis monetèr ja. Ik moet veel verkopen, anders kunnen mijn ouders het schoolgeld niet betalen.' Haar gezicht kijkt ernstig volwassen.

Laat in middag wandel ik naar de andere kant van het eiland om van de zonsondergang te genieten. Daar heerst absolute rust. Vlak langs de waterlijn staan hutjes van atap. Daarnaast liggen vlotten van lege plastic flessen, op ingenieuze wijze aan elkaar gevlochten. Ik ontmoet de stille getuigen van de crisis; twee half afgebouwde vakantiecomplexen en een platform dat enkele tientallen meters uit de kust in zee ligt. Volgens een bewaker een project van een Nederlandse reisorganisatie. Een kilometer verder ligt een van de mooiste bruine café's die ik ooit heb bezocht. 'Goodheart'; vier houten palen en een dak, verscholen tussen palmbomen, omgeven door scharrelende kippen en mekkerende geiten. Met de zonsondergang op je netvlies, is een koud biertje hier een absolute godendrank. In elk geval minder gevaarlijk dan de 'arak attack' waarmee ik de laatste avond opvul. Zonder een flinke schep honing en een uitgeperste jeruk is dat spul absoluut ondrinkbaar, maar met deze toevoegingen een ware killer.

Als ik na vijf dagen bounty-eiland weer op de boot naar Lombok zit, praten de Indonesische mannen gelaten over de rijstprijzen. In de straten van Bangsal verdringen krijsende kinderen zich rond de pas aangekomen bootreizigers. Met flessen water spoelen ze de voeten van de verbaasd kijkende toeristen schoon en vragen vervolgens 500 rupiah; om water te kunnen kopen. Het is 'crisis in paradise'. Hoe lang nog?

  • Riny Boeijen