Rob Nieuwenhuys en het onaangeroerde
koffertje
Iedere keer als ik bij Rob Nieuwenhuys de woonkamer in stap
dwaalt mijn oog als eerste naar die mooie, antiek stoel waarop,
zolang ik hem bezoek, een half open koffertje ligt. En iedere
keer als ik zie dat het daar nog net zo onaangeroerd ligt maakt
zich een kleine teleurstelling van mij meester. Ik moest er
straks maar weer over beginnen, maar eerst koffie met roti kukus
of kue pisang. En straks, met een wijntje, de al bijna
traditionele loempia's. Hoe gaat het met je?
We bespreken kort over zijn niet zo florisante lichamelijke
gesteldheid, zijn slapeloze nachten en dan krijg ik een kort
verslag van de gesprekken met verschillende recente bezoekers.
Die bleef te kort, die te lang. Rob constateert terloops dat het
literaire talent onder Indische mensen heel beperkt is. Erg
jammer.
Hij krijgt gelukkig veel bezoek, maar hij voegt er onmiddellijk
aan toe dat dit zijn grote verdriet om zijn in 1995 overleden
vrouw Fried helaas op geen enkele manier compenseert. Zestig jaar
samen en dan op 87 jaar opeens alleen. 'Zij las alles wat ik
schreef. En kritisch. Niemand kan haar vervangen. Ik ben
rusteloos geworden. Kan me niet goed concentreren op schrijven'.
Ik hoor zijn schrijnende jammerklacht iedere keer weer. Het maakt
mij even machteloos als Rob zelf. Een schuine blik op het
koffertje, er nu over beginnen of straks maar, een nog beter
moment afwachten?
Ik tracht hem wat op te peppen met goedkope grappen. Die over de
nakende dood gaan er altijd goed in. 'Ik heb alles al geregeld
voor de begrafenis. Nee, ik laat me niet cremeren, ik ga gewoon
naast Fried liggen op dat mooie kerkhofje in Hoofddorp'. Ik zeg
dat hij de organisatie van zijn eigen begrafenis maar moet zien
als voorpret. Hij houdt van dit soort moppen.
Er is de afgelopen jaren sprake geweest dat Rob zou verhuizen
naar een Haagse bejaardenflat. De familie wilde dat graag. Hij
doet het niet. Ik zeg: Rob, je kunt het beste hier blijven en op
een nacht gewoon niet meer wakker worden. 'Maar beter', roept
hij, 'dat is een luxe dood. Dat gaat me nooit lukken'. We lachen
weer.
We komen te spreken over het feestje dat Leidse en andere
vrienden begin juli voor hem organiseren naar aanleiding van zijn
negentigste verjaardag op 30 juni. Wat gaat er dan gebeuren?
'Ik weet het niet precies. Ik geloof dat dan ook de herdruk van
mijn drie fotoboeken - je weet toch, samen negentig pop -
uitkomen. Ik denk ook toespraken. Eerlijk gezegd zou ik mijn
verjaardag liever in een wat kleinere kring willen vieren, maar
dit is misschien ook wel leuk.'
Heb je al een toespraak voorbereid. 'Nee, dat doe ik niet. Ik zie
wel. Misschien beperk ik me tot een eenvoudig dankwoord, maar het
kan ook zijn dat ik wat langer spreek, gewoon uit het hart, wat
me te binnen schiet. We zien wel.'
Die mensen daar, probeer ik voorzichtig, zullen je vast vragen of
je nog plannen hebt iets te schrijven en ik maak een handbeweging
naar het koffertje. Rob begrijpt mijn vingerwijziging.
Daar zit het allemaal in. En dan, als toverslag bij heldere
hemel, zegt Rob. 'Meteen nadat ik negentig ben geworden ga ik er
aan beginnen. Ik móét het schrijven. Ik heb al het materiaal
daar bij elkaar. Alle krantenknipsels uit De Locomotief,
enzovoort'.
Komt het er nu echt van ?! Het gaat niet om een gewoon verslag
van een moord in Indië. Het verhaal handelt over een drama dat
zich in de jaren dertig echt heeft voorgedaan. Het moet een
beschrijving worden waarin alle subtiliteiten, haatgevoelens,
vernederingen en het verdriet, die zo kenmerkend waren voor de
Indische, koloniale verhoudingen, zitten samengebald.