Mooiste twintigste eeuwse opera-ervaring?

Het is midden oorlogstijd, wij wonen boven de Kramat-apotheek op een van de drukste punten van Batavia. Een druk kruispunt waar normaal gesproken veel trams voorbijkomen, zoals lijn 2 die van de haven, Pasar Ikan, naar Meester Cornelis rijdt.
Urenlang kun je, als kind, op het balcon uitkijken naar de langskomende trams die nog geel geschilderd zijn, met een uitzondering in grijsgroene camouflagekleur. Je weet dat het tramstel na ongeveer anderhalf uur weer zal passeren en wacht vaak op dat magische moment. Op dat balcon hoor je niet alleen de straatgeluiden, maar ook flarden Europese muziek. Die waait over vanuit het aan de overkant liggende Rex-theater. Daar draaien ook in de oorlog films gewoon door, zij het zonder die met angelsaksische oorsprong. En in de tijd na de vasten spelen op het grasveldje naast het theater kroncongorkestjes hun hartverscheurende melodieën.

Wel draait in het Rex een grote afwisseling aan Duitse, Italiaanse en Japanse films, die je voor de helft kunt meegenieten vanaf hetzelfde balcon. De bioscoop houdt immers de balcondeuren open in verband met de ventilatie. Een beetje links en rechts over de balustrade hangend kun je flarden beeld zien. Helaas nooit in het pikkedonker - vanwege de verduistering en avondklok -, maar wel in de late namiddag tegen het moment dat plotseling de tropische donkerte over je heen valt.
Want, weet het jongetje dan rijden gedurig geblindeerde auto's met een duidelijk herkenbare vlag voorop beneden langs op weg naar Kwitang/Perapatan - om de hoek, het hoofdkwartier van de Kempetai - waar de inzittende gevangen werden afgerost: basale angst die hoort bij bepaalde fimmuziek.

Je wist niet precies wat er draaide, maar je herkende de genres vooral aan de filmmuziek en er ontwikkelde zich een voorkeur: Duitse oratorium muziek (Haendel's Judas Maccabaeus en Schubertliederen, afgewisseld met operette, Tanzmusik en Flotow's Martha), maar vooral belcantoklanken die een onuitwisbaar spoor achterlieten in je geheugen.' Una fortiva lacrima' met Beniamino Gigli, Napolitaanse liederen met Tito Schipa - want die kende je, hij zat ook in de platencollectie thuis.
Deze muzieken waren in feite losse onderdelen van een film, maar er was een intrigerende film, waarvan je via de balcondeuren alleen de halve beelden zag met volstrekt onbegrijpelijke muziek, afwisselend heftig, vrolijk en lieflijk, barbaars.
De hoofdrol, zwaar geschminkt verscheen met rollende ogen steeds weer half in beeld en je vroeg je af wat daartussen in de handeling gebeurde.

Niet lang daarna, tegen het einde van de oorlog, verhuisden we naar Bandoeng, geen Rex meer tegenover ons huis, maar houwitsers op het grasveld van het Christelijk Lyceum en in gewapend convooi naar de filmzaal van het Bandoengse Jaarbeursgebouw, waar Judy Garland hartverscheurend 'Over the Rainbow' zong in De Tovenaar van Oz, of Gene Autry onbegrijpelijke zaken blijkbaar voor zijn paard kweelde.
Weer twee jaar later - inmiddels naar Holland verscheept, in de barre winter van 1947 - wordt je door je moeder meegenomen naar het Haagse Gebouw voor K&W, een klassieke double bill: Cavpag, ofwel de hits Cavaleria Rusticana en Paljas.
Nietsvermoedend onderga je de sfeer in dat stoffige theater, donkerte, het doek splijt open om een volgeschminkte zanger door te laten: het is Theo Bayle. Een schok, want na de heftige beginakkoorden zet hij de proloog uit Paljas in, het bisseren van het slot uit de proloog treft je niet dan eens als tegenstrijdig, of ongepast. Het is namelijk de muziek tussen de balcondeuren in Batavia!

De fascinatie voor opera is geboren, later gevoed door Holland Festival voorstellingen (overnachten op de stoep van K&W om kaartjes voor de legendarische opvoeringen, toen), veel geluister naar het Belgische Opera en Belcanto-programma via de Draadomroep, de fanfares door de radio bij het begin van Bayreuth voorstellingen. Verslaving aan 'moderne' opera's, het balanceren tussen snobisme en pijnlijk verbeten verveling. Kortom: alsolute catastrofes als Sampiero Corso van Henri Tomasi, de verplettering van Alban Bergs Wozzeck onder Fricsay tot de tover van een avondje korte Schoenberg-opera's onder Hans Rosbaud, die je meteen driemaal achtereen ging zien.

Maar nooit, nooit, never werd de magie van 'moderne' klanken bij het jongetje boven de Bataviaanse apotheek zo voltrokken als bij Leoncavallo's 'Paljas', die wel  geschreven werd in de laatste jaren van de negentiende eeuw. 
Dat is dus voor het jongetje de mooiste twintigste eeuwse opera, want opende de poorten voor al die andere twintigste eeuwse werken. 

Kortom de vanzelfsprekende lijst hoef je niet te hebben beluisterd, om wel de mijlpalen te onderkennen.