PERKARAS
Indische kwesties dus, bestaan al zolang Nederlanders (of hun nakomelingen) afkomstig zijn uit Nederlands-Indië (later Indonesië) en die hun wortels bewust beleven. Onder Indische mensen wordt veel getwist over deze perkaras. Deze verschillen van mening concentreren zich rond een aantal thema’s, hieronder door de Redactie van Blimbing verwoord.
Een beknopte inventarisatie, bedoeld voor de Discussiemiddag op 26 maart 2000 in het Indisch Cultureel Centrum, Zoetermeer
1.
Politiek:
‘belastend koloniaal verleden’, of juist niet.
2.
Racisme:
Indo, Totok, Belanda, Inlander, Chinees (Peranakan).
3.
De oorlog:
kampslachtoffer; buitenkamper, bersiap, geen traumas, herdenking, ereschulden,
IHC.
4.
Aankomst in Nederland:
slechte opvang, discriminatie, hier geen belangstelling voor oorlogservaringen.
5.
Organisaties:
veel clubjes met verschillende soorten activiteiten en belangen; Indisch
Platform als niet-representatieve koepel en gesprekspartner met de overheid.
6.
De media:
vaak slecht geďnformeerd, gebruiken vaak verkeerde en soms kwetsende
terminologie: zoals voor Indische mensen (Indos zowel als Totoks):
Indiëgangers, Indonesiërs, kolonialen, kampslachtoffers etc.
1. Politiek:
Indische mensen waren deel van de Indische koloniale samenleving. Daarmee waren zij nog niet vanzelfsprekend ook onderdrukkers. Nee, in veel gevallen hadden b.v. de Indo’s zelf ook te lijden van discriminatie door Totoks.
2. Racisme:
Zoals deels bij punt 1 al is opgemerkt bestonden in de Nederlands-Indische samenleving tussen verschillende bevolkingsgroepen talloze openlijke, maar ook (wettelijk) onderdrukte raciale spanningen. Die ervaring heeft, bij de een meer dan de ander en vooral bij ouderen, psychische sporen nagelaten die nog nawerken. Bovendien rust er een taboe op.
3. De oorlog:
Tijdens
de Japanse bezetting van Nederlands-Indië hebben miljoenen bewoners van dit
land geleden: Indonesiër (Romoesja’s, hongersnood), en Nederlanders in
en buiten de kampen. Nog steeds ligt wat het slachtofferschap betreft het accent
op de mensen die in de Japanse kampen hebben gezeten.
Over het lot van de buitenkampers is in verhouding nog steeds veel te weinig bekend. En over het veel grotere aantal Indonesische slachtoffers in de Japanse tijd wordt bijna nooit iets vernomen.
Slachtoffers van de Bersiap en buitenkampers worden wat betreft behandeling inmiddels gelijkgeschakeld, maar NIET ten aanzien van een uitkering. Zij kunnen hooguit een aanvraag indienen voor een WUBO-uitkering, terwijl de veel gunstiger WUV-uitkering uitsluitend is weggelegd voor mensen die in een gesloten kamp hebben gezeten.
Traumatische ervaringen van Indische mensen, of die nu zijn opgelopen tijdens de Japanse bezetting, de bersiap, de dékolonisatie, of de opvang in Nederland, hebben wat betreft hun genezing de neiging te zoeken naar morele en/of financiële genoegdoening die gericht is op respectievelijk de Japanse en de Nederlandse overheid.
In dit verband kan in herinnering worden geroepen de zogeheten back-pay zaak (begin jaren ’80) en de organisatie Japanse Ereschulden. Binnen de Indische gemeenschap heersen uiteenlopende meningen: moet Tokio nog wel worden aangesproken? Ook bestaat verschil van inzicht over de manier waarop van Japan alsnog genoegdoening kan worden verkregen in de vorm van oprecht, in het openbaar uitgesproken excuses. Of in geld?
De laatste zaak is heel actueel geworden omdat Nederland en Japan het feit dat beide landen dit jaar vier eeuwen betrekkingen met elkaar onderhouden, plechtig wilden vieren. Dat kon alleen als eerst de kwestie van de excuses was ‘geregeld’. Dan kon ook de Japanse keizer in 2000, zonder kans op protesten van Indische kant, een bezoek aan Nederland komen brengen. Het gaat hier dus om economische belangen en dus ook om een politieke zaak, die geheel gestuurd wordt door Den Haag.
In 1999 heeft de regering enkele miljoenen guldens ter beschikking gesteld aan de Indische gemeenschap ten behoeve aan een Indische Herinneringscentrum (IHC), omgedoopt tot 'Indisch Huis' vlakbij het Indisch Monument in Den Haag. Als Indische gesprekspartner van de overheid treedt op het Indisch Platform. In Indische kring rijzen steeds meer vragen over de representativiteit van het IP en zijn democratisch gehalte. Meer daarover in punt 6.
4. Aankomst en opvang in Nederland:
Tussen 1945 en 1965 hebben naar schatting enige honderdduizenden Nederlanders zich noodgedwongen vanuit Indonesië in Nederland gevestigd. Een heel groot deel had tijdens de Japanse bezetting en/of tijdens de zogeheten Bersiap-periode familieleden verloren, have en goed kwijt geraakt en lichamelijjk, maar vooral geestelijk behoorlijk wat te verduren gehad. Wie de overtocht naar Nederland en het opnieuw vestigen in Nederland niet kon betalen, kon een voorschot krijgen van de overheid. Rijksambtenaren keken strikt toe dat deze repatrianten - waarvan het gros nooit eerder in Nederland verbleef, zodat de term wat vreemd is gekozen -, zodra zij daar financieel weer enigszins toe in staat waren, het verstrekte voorschot tot de laatste cent terugbetaalden.
Deze stroom Indische mensen werd in Nederland niet bepaald met open armen ontvangen. Over dit gebrek aan gastvrijheid wordt nu, meer dan 50 jaar laten, nog regelmatig geklaagd. Momenteel onderzoekt SOTO (Stichting Onderzoek Terugkeer Oorlogsslachtoffers) deze periode bij zowel Joodse, Zigeuner en Indische oorlogsslachtoffers. Toch zijn er, bezien van de andere kant, een aantal, al dan niet begrijpelijke, oorzaken voor deze houding aan te voeren:
— De opvang van deze mensen (ook teruggekeerde joden ondervonden dit) vertraagde en verstoorde de wederopbouw.
— Vooral in meer linkse kringen bestond het beeld dat Indische mensen wat betreft de vrijheidstrijd die in 1945 was uitgebroken aan de 'verkeerde' kant stonden, dus met hen hoefden we hier in Nederland geen meelij te hebben.
— Toen eind 1949 Indonesië ook officieel onafhankelijk was geworden werd dit in Nederland vooral bij een behoudende kring als traumatisch gevoeld. Confrontatie met (duidelijk herkenbare!) repatrianten en later spijtoptanten, die werden gezien als symbolen van ‘het verlies van Indië’ ging men liever uit de weg. De Nederlandse regering voerde dan ook een zogeheten ontmoedigingsbeleid en adviseerde via het Nederlandse Hoge Commissariaat Indo's blijvend in Indonesië te vestigen. Een aanzienlijk aantal Indo’s dat gehoor gaf aan dit advies, leeft momenteel onder behoeftige omstandigheden in Indonesië! een situatie waarover officieel ook bitter weinig bekend is, ze hebben namelijk niet langer de Nederlandse nationaliteit en dat heeft gevolgen met name b.v. bij toekennen van allerlei uitkeringen en subsidies.
5. Indische verenigingen en organisaties:
De organisatiegraad van de in Nederland gevestigde Indische Nederlanders was aanvankelijk niet erg groot. Een van de eerste en nog steeds actieve clubs is de BEGO ( Bond ex-Geinterneerden en Gerepatrieerden van Overzee) In de loop van de jaren ’50 en ’60 kwamen er steeds meer belangenverenigingen bij. Soms, als het om een specifieke zaak ging werd een comité of stichting opgericht, zoals de Stichting Nederlandse Ereschulden (SNE), die ijverde voor een nabetaling van tijdens krijgsgevangenschap gederfde soldij. In de wandeling beter bekend als de pack pay affaire. Het was de eerste keer dat een Indische belangenorganisatie de directe confrontatie aanging met de Nederlandse regering… en won!
Steeds vaker bleek dat de regering uitstaande Indische ‘perkaras’ met de Indische gemeenschap wilde oplossen. Zo ontstond in de tweede helft van de jaren ’90 het ‘overkoepelende orgaan ' Indisch Platform' (IP). Daarbij zijn, vrij willekeurig, rond vijftien Indische organsaties aangesloten. In eerste instantie was het IP bedoeld als gesprekspartner voor de Nederlandse regering, namens de Indische gemeenschap. Aanleiding was het in een vijver gooien van het bloemstuk dat de toenmalige Japanse premier had gelegd bij het Indisch monument. De regering wilde zulke demonstraties in de toekomst voorkomen.
Het
is buitengewoon onduidelijk of het IP ook maar een poging heeft gedaan te
streven naar representativiteit. Een van de grootste klachten is dat de
(oud-)militairen oververtegenwoordigd zijn, dat hetzelfde geldt voor de
aanwezigheid van ex-kampbewoners, maar dat b.v. de buitenkampers (per definitie
meestal Indo's) blijkbaar vergeten zijn. In ieder geval is een onbekend aantal
Indische mensen dat zich in het geheel niet herkent in het IP, al was het
alleen maar door zijn zeer ondoorzichtige en weinig democratische structuur en
groot gebrek aan openheid naar de veronderstelde Indische achterban.
De duistere
wijze waarop het IP zich met een audiëntie bij de koningin en met nog meer
miljoenen heeft laten muilkorven zijn daar de duidelijk heel recente voorbeelden
van.
6. De media over ‘Indische zaken’:
Keer op keer valt tot ergernis van veel Indische mensen op hoe weinig inzicht er bestaat bij de Nederlandse media met betrekking tot Indische kwesties. Het is een uitzondering als er in berichten of reportages geen fouten worden gemaakt. Veel voorkomende fouten betreffen onjuiste terminologie. Schrijvend over Indische mensen vallen al gauw termen als ‘Indonesiërs’ en ‘Indiëgangers’ en vereenzelvigt men Indische mensen met Nederlandse oudstrijders. Verder valt een stuitend gebrek aan inzicht op wat betreft de periode van de Japanse bezetting, de chaotische periode die daar op volgde (Bersiap) en ‘de politionele acties’. De laatste zouden uitsluitend zijn gericht geweest het koloniale regiem in zijn oude glorie te herstellen. Als gevolg daarvan zouden de ‘Indiëgangers’ dan weer naar hartelust de scepter kunnen zwaaien over de ‘uitgebuite Indonesiërs’.
In werkelijkheid ging het inzetten van Nederlandse militairen - met slechts twee maal een korte ‘politionele’ actie - om de veiligheid van Nederlanders en (in theorie) ook Indonesiërs te garanderen en belangrijker nog de Nederlandse economische belangen veilig te stellen; ook na de al in 1946 spoedig toegezegde onafhankelijkheid (Linggadjati) binnen het kader van een Nederlands-Indonesische Unie.
CONCLUSIE:
De Indische gemeenschap zou zich wat betreft de zo frequent voorkomende misinformatie in de Nederlandse media moeten afvragen of zij zelf niet een taak heeft op het gebied van een goede persvoorlichting. Een goede, waarlijk representaieve overkoepelende Indische organisatie die in plaats dient te komen van het IP zou fondsen moeten vrijmaken voor een professioneel functionerend voorlichtend voorlichtingsbureau.
Redactie BLIMBING
NASCHRIFT:
Dit zijn de deelnemende organisaties van het Indisch PLatform:
CENSIO - GLODOK 1944-'50 - 15 Augustus-herdenking - IPB - IWI - JES - Jongenskamp Ambarawa - Jongenskanp Tjimahi - Kamp Bangkongan -
(KJBB,?) - Oud KNIL -
Vereniging NINES - Oud Scheepvaart/Marine - Pelita - Vrienden KNIL
CENSIO
(Centrale van Samenwerkende Indische Organisaties) is op zich weer een
overkoepelende organisaties, waarin zitten: Bond ex-Geinterneerden en Gerepatrieerden van
Overzee
Groep ex-Glodok Geinterneerden '44-'45
De Indische Pensioenbond
Indisch Nederlands Verbond
Vereniging Kinderen uit de Japanse Bezetting en Bersiap '41-'49
Vereniging van Oud Militairen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger Madjoe
Nationale Federatieve Raad van het Voormalig Verzet Nederland/Oost Azie
Vereniging Nazaten Indische Nederlanders en Sympathisanten
Vereniging Oud DVS Personeel
Stichting Pelita
Stichting Vriendenkring Oud KNIL Militairen
Vereniging Indische Nederlanders
Stichting Herdenking 15 augustus '45
Stichting Japanse Ereschulden
Indisch Documentatie Centrum