Een Komedie Stamboelvoorstelling in 1926

In de negentiende eeuw beheerste voornamelijk de Europese cultuur het officiële leven in Nederlands-Indië. Op het werk, kantoor en in de schouwburg, maar in het leven thuis in familiekring leefden de (Indo-)Europeanen veelal volgens de zeden en gewoonten des lands die vaak minder vormelijk waren dan die van de Europese cultuur. Thuis kleedden Europese vrouwen zich in sarong kebaja en ook de mannen droegen loszittende vrijetijdskleding; er werd drie keer per dag gebaad en vaak gebruikte het gezin aan tafel de Indische rijstmaaltijd. Vanaf ongeveer 1850 breidde de invloed van de Europese cultuur zich meer en meer uit en beperkte zich niet meer tot het officiële westerse leven buitenshuis, en kwam geleidelijk aan ook de Indische huiskamers binnen. Dit als gevolg van de toevloed van jonge immigranten die vanuit Europa naar Indië kwamen om er hun geluk te beproeven. Deze sterk toegenomen immigratie was mogelijk door de betere verbindingen met Europa, de opening van het Suezkanaal in 1869, door de snelle ontwikkeling van de stoomvaart en door de komst van trein-, post- en telegraafverbindingen binnen Nederlands-Indië en zo ook met de rest van de wereld. Met de gestaag groeiende stroom nieuwkomers kwamen ook meer vrouwen mee als echtgenote van regeringsemployés of particuliere ondernemers. Al deze factoren droegen bij aan de toenemende verspreiding van Europese cultuurgoederen en ging de Europese cultuur vanaf 1900 de Nederlands-Indische samenleving in hoge mate beheersen. De eerste Indische toneelondernemer die in 1891 in Soerabaja grote successen boekte met een nieuwe toneelvorm die Komedie Stamboel ofwel 'de Oost-Indische Opera' werd genoemd was August Mahieu, zoon van een Nederlands-Indisch ambtenaar.Zelf was hij er vermoedelijk vanwege zijn lage schoolopleiding en als gevolg van ongelijke concurrentiestrijd met hoog opgeleidde nieuwkomers uit Europa er niet in geslaagd een baan bij het Indische gouvernement te bemachtigen. Deze nieuwe vorm van theater, die een product was van een mengcultuur bestaande uit een elementen uit de Europese en de inheemse cultuur, toonde verhalen uit de Duizend en een Nacht die zich in het Midden-Oosten (destijds behorende tot het uitgestrekte Ottomaanse rijk met Istanbul als hoofdstad) afspeelden; daarbij spraken en zongen de acteurs voornamelijk in het hoogmaleis en werden westerse melodieën zoals marsen, walsen en polka's als muzikale begeleiding van de handeling en krontjongliederen op het toneel ten gehore gebracht. Het publiek bestond in het begin uit Europeanen, Chinezen en inheemsen . Het succes van Mahieu stimuleerde ook andere Indo-Europeanen om Stamboelgezelschappen op te richten. De glorietijd van de deze gezelschappen die hoofdzakelijk werden geleid door Indo-Europeanen duurde niet lang: slechts een jaar of twintig. Dit werd mede veroorzaakt doordat in de loop van de tijd zich onder de Stamboelgezelschappen veel kaf onder het koren bevond. Het artistieke niveau van een aantal gezelschappen nam af en daarbij kwam ook dat door de toenemende oriëntatie op Nederland en de Europese cultuur, die de economische groei in de twintigste eeuw met zich meebracht, de Indo-Europeanen geremd werden in hun ontluikende cultuuruitingen zoals krontjong en de Komedie Stamboel . De Europeanen keken neer op de Komedie Stamboelen ook in Indo-europese kringen werd het niet meer 'fatsoenlijk' geacht om een bezoek te brengen aan de Stamboel. Dit slechte imago bleef lange tijd kleven. Naast de Chinese Stamboelgezelschappen bleven er echter nog geruime tijd Komedie Stamboel -groepen rondtrekken die met een groeiend aantal inheemse spelers het karakter van hun optredens veranderden en meer een soort vaudeville-voorstellingen gaven. In 1925 werd door de peranakan-Chinees Tio Tik Dien (1895-1965) uit Pekalongan het Miss Riboets Orion Toneelgezelschap opgericht. In de volksmond kortweg Miss Riboets Orion of Miss Riboet werd genoemd. Miss Riboets Orion had een actrice van formaat met de naam Miss Riboet ('Juffrouw Lawaai', 1900-1965), de echtgenote van Tio Tik Dien en vooral dankzij haar optreden had het gezelschap Miss Riboets Orion niet alleen groot succes op Java en Sumatra, maar ook in Singapore en andere steden op het Maleise schiereiland. 

HET VERHAAL VAN MIJN MOEDER

Hieronder volgt mijn moeders verhaal over de Komedie Stamboelvertoning die zij als achtjarig kind met haar moeder Mariah bijwoonde te Soekaboemi (West-Java) in het jaar 1926; volgens mijn moeder heette het gezelschap dat die vertoning gaf Miss Riboet, maar over de juistheid van deze naam voor die Stamboelgroep koester ik de nodige twijfels: 'Miss Riboet trad op in de Flora-bioscoop in Soekaboemi. De opvoering was mooi. Miss Riboet was een bekende toneelgroep en in het stuk dat die groep opvoerde zaten veel meer mensen dan in de toneelstukken die werden opgevoerd door de Bangsawan-groep die in Soekaboemi blijft. Dit Stamboelgezelschap werd geleid door een Indo-Europese man; zijn Indonesische echtgenote was de 'Seri Panggoeng' of primadonna van het gezelschap en ook hun dochtertje Nellie speelde in de toneelvertoningen mee. Het toneelstuk dat werd opgevoerd in de Stamboelvertoning te Soekaboemi in 1926 was dat van 'Nyai Dasima. De voorstelling opende met de hoofdpersonen de Engelsman Tuan Winter, zijn 'nyai' Dasima en hun dochter Nancy die voor het eten in hun huis aan tafel zaten. In de loop van het verhaal werd Nyai Dasima door de chauffeur van haar man, Sami'oen geheten, verleid en overgehaald om haar gezin te verlaten en met Sami'oen in de kampoeng te gaan wonen. Aan het slot van de vertoning werd het dode lichaam van Nyai Dasima door haar dochter Nancy aangetroffen bij de rivier achter het huis van haar vader Tuan Winter.' Deze Komedie Stamboelvertoning droeg een geheel ander karakter dan de voorstellingen door de Bangsawangroep die doorgaans optrad in de Elitabioscoop in Soekaboemi. Bij de Elitabioscoop heeft de Bangsawangroep een vaste standplaats. De Bangsawanvertoning begint met muziek: krontjongmuziek. De voorstelling ziet er als volgt uit: vóór heb je een hoog podium (met een gesloten voordoek red.) en daaronder bevinden zich de muzikanten die het strijkorkest vormen. En dan komt er voor (de doek red.) een jong meisje die gaat dansen en de voorstelling opent. Zij gaat dan een liedje zingen terwijl zij wijst naar personen in het publiek: 'Mana, mana si djantung hatiku. Djantung hatiku jang pakai badju biru' ('Welke, welke is mijn lieveling. Mijn lieveling is de persoon met de blauwe jas'). En dan wijst zij naar een man die een blauwe jas aanheeft; daarna dribbelt ze met haar voeten over het toneel en rammelt ze met de belletjes aan haar been. Dan gaat zij weg. De voordoek wordt geopend; en dan begint het verhaal dat handelt over een prins en een prinses. Als achtergrond worden op het toneel beschilderde doeken gebruikt, bijvoorbeeld een doek met een bos. En dan worden de doeken verwisseld doordat er vanachter de coulissen door toneelknechten aan touwen wordt getrokken. Als het verhaal zich afspeelt in een bos, dan krijg je een doek met bos; de prins komt daar en hij is vergezeld van zijn dienaren. Dan zeggen zijn dienaren: 'Nou. het spookt hier!' Vervolgens gaat de prins 's avonds ergens heen en lopen zijn dienaren achter hem aan. Heel voorzichtig lopen ze dan. Af en toe schrikken de dienaren van geluiden en roepen 'Wat is dat?' of maken ze elkaar aan het schrikken. Het is echt spannend. En vooral de mannen die de prins begeleiden die zijn grappenmakers en die kunnen dat heel goed doen, hoor! En dan moet je lachen: het is net alsof ze echt schrikken; dan blijven ze stokstijf staan. Ze lopen zo, echt zo bang. En soms krijg je een stuk van de stiefmoeder dat die de stiefzoon slaat; en dan slaat ze hem echt met een bord. Wanneer hij om eten vraagt, dan wordt het bord van hem afgerukt en 'pang' op zijn hoofd. Heel het bord stuk! Hij krijgt slaag. De persoon die het kind speelde was niet echt een kind meer, maar een volwassen man. De stiefmoeder wordt gespeeld door een mooie vrouw natuurlijk. Het spel van de grappenmakers was erg leuk; vooral wanneer ze elkaar voor de gek houden. De voorstelling werd bezocht door Chinezen, Indonesiërs - Europeanen gingen er niet naar toe en alleen kinderen waarvan de moeders Indonesische vrouwen zijn die hebben wel interesse voor die dingen en gaan ze mee met hun moeders. Maar eigenlijk is dat niet voor ons weggelegd. De Elita-bioscoop in Soekaboemi - waar Bangsawan wordt opgevoerd - dat is een volksbioscoop. En nette mensen die komen daar niet. De entree voor de openlucht bioscoop bedraagt alleen maar tien cent, maar als je apart de Bangsawan-voorstelling - die onder een afdak wordt gegeven - wilt zien dan moet je twintig cent betalen. En achter in de openlucht bioscoop, ja het is een groot open complex, zijn ronggengs of dansvrouwen - ze zitten onder een klein en smal afdak - die ook zingen en met wie de mannen kunnen dansen. Na afloop kan de ronggeng met de man die haar vraagt meegaan vertelde moeder Mariah eens aan dochter Corrie .'