WILLEM DE VEROVERAAR

Bij het passeren herkende ik hem onmiddellijk en hij mij, maar we lieten het niet merken en liepen door. In een gesprek met die kerel had ik na al die jaren geen zin, en hij moest kennelijk ook niets meer van mij hebben. In een seconde hadden wij allebei die conclusie bereikt. Onze laatste ontmoeting lag te lang achter ons. We hadden daar, op de winderige hoek van het half in puin liggende Kurhaus, geen behoefte aan het uitwisselen van curricula vitae 1962-1977. Hij had mij moeten uitleggen wie de dame aan zijn arm was (niet de vrouw die ik gekend had) en om helemaal eerlijk te zijn: hij had nog een andere gewichtige reden om mij te negeren. Tenslotte had ik hem de bijnaam Willem de Veroveraar bezorgd.

Je verzint zoiets even on the spot, schiet de vondst speels uit de losse pols over een vergadertafel heen en een week later blijkt de geadresseerde dan al in jolige gezelschappen verwelkomd te worden met 'Ha die Willem! en 'pas op je borrel jongens, daar komt de Veroveraar!'

'Nieuw Guinea, ons bolwerk in de Pacific, 1960 - en wij bestuursambtenaren, twee jaar voor het einde nog steeds in de greep van vijfjarenplannen voor de openlegging van het binnenland en het opheffen van de papoea's. Onder leiding van de resident vergaderen wij, controleurs BB uit de diepste jungle, dagenlang over wegenaanleg, ziekenhuisbouw, lanfbouwprojecten, meer fondsen om onze gebiedjes open te gooien.

Hij en ik grensden met onze oerwouden aan elkaar. Willekeurige lijnen op de kaart en de onbevaarbare rivier A en de alleen nog maar uit de lucht verkende rivier B bepaalden waar zijn gezag ophield en het mijne begon. Dat gaf wel eens problemen als mijn verpleger met de penicellinespuit in zijn verste kampongs met de eer ging strijken, of als zijn bouwopzichter in mijn dorpen opdrachten uitdeelde om binnen een week alle daken te vernieuwen. Ach, dat waren de wel vaker voorkomende interne strubbelingen tussen jonge, ambitieuse, zelfverzekerde bestuursambtenaren en in die streken leken alle papoea's op elkaar en hadden dezelfde doopnamen van de pastoor gekregen, en met het in kaart brengen van nederzettingen heb je ook geen succes want die stammen zwierven van sagobos naar sagobos.

Op de periodieke conferenties bij de resident had hij altijd de langste verlanglijst. Zijn gebied was het achterlijkst, maar ook het grootst, en als hij maar voldoende fondsen kreeg, zou hij er in no time een voorbeeldig georganiseerd district van maken. De resident en zijn rekenaars begonnen elke vergadering met het schappen van twee nullen achter iedere post op zijn begroting, zonder uitleg, zonder hem toelichting te vragen. Dat maakte hem woedend. Het grootste gebied, de meeste zielen en het minste geld! Nooit kreeg hij de gelegenheid zijn brede visie te ontvouwen.

'Van die modderpoel van u valt in geen honderd jaar iets te maken', zei de resident een keer zuchtend tegen hem en hevelde de helft van zijn landbouwbegrotinkje over naar het mijne, want op mijn post (hoger gelegen, beter klimaat) stonden tomaten en groene kool er dat jaar goed bij - daar zat dus muziek in. Verbitterd over zo veel kortzichtigheid ging hij na die vergadering terug naar zijn bestuurspost. Toevallig kwamen wij in september 61 tegelijk aan op het vliegveld van Santani, voor de volgende begrotingsbesprekingen. Hij begroette mij met de woorden: "Zo groenteboer (Dit vanwege de tomaten en de groene kool - een project dat inmiddels door 40 milimeter regen was weggespoeld). Hij had net zijn ontslag ingediend, zei hij verder, maar toch weer ingetrokken, want eindelijk had men hem meer personeel toegezegd. "Als je maar dreigt je bestuurspet aan de kapstok te hangen,' zei hij, nors naar de contouren van het Cycloopgebergte kijkend.

Op het residentiekantoor hoorde ik wat er gebeurd was. Hij had een 'internationaal incident' gecreŽerd. Op zijn laatste tournee was hij op een onbekend dorp gestoten, waar men hem nogal onverschillig had ontvangen. Zijn ongenoegen was vooral gewekt omdat de vlag niet wapperde op het dorpsplein en het Wilhelmus niet gezongen werd bij zijn Blijde Incomste.

Hij had de verzamelde dorpsoudsten dus uitgeveterd, een vlag achtergelaten en aangekondigd dat binnen twee weken de belastingbeambte de aanslagen 1962 zou komen opleggen. Hij schreef na terugkeer een uitvoerig rapport aan de resident, waarbij hij nogmaals onderstreepte dat nu opnieuw gebleken was dat zijn gebied zo verdomd groot was dat je op een achternamiddag nog een dorp van vierhonderd zielen kon ontdekken.

Voordat zijn verslag was uitgelekt werd hem al per radio een ongehoorde blunder ten lastegelegd. Hij had op 24 juni 1961 in het dorp W. de Nederlandse vlag gehesen een dondertoespraak over belastingen en trouw aan het Nederlandse gezag gehouden, waarbij hij echter over het hoofd had gezien dat het welbekende dorp W. niet in Nederlands-, maar in Australisch Nieuw Guinea lag.

Het had mij ook kunnen overkomen, dacht ik, nakaartend naast de KurhausruÔne, 1977. Willen de Veroveraar had ik hem de volgende dag in de vergadering genoemd. Hij had zich lang door die bijnaam gegriefd gevoeld, vertelde iemand mij later, en voor hem was het maar gelukkig dat het Nieuwguinese bestuurscorps in 1962 moest thuisvaren en werd opgedoekt.

Ik voelde toch nog een vleugje spijt en keek om. Hij stapte juist met zijn dame de stoep van restaurant Bali op. Als hij niet besproken had, dacht ik, zou het hem nu vrijdagavond, beslist niet lukken een tafeltje te veroveren.

NRC Handelsblad, dinsdag 10 oktober 1978