Veel vragen bij Vrije Indische Partij
De Vrije Indische Partij (VIP) heeft al twee maal meegedaan aan de Tweede Kamer verkiezingen. Beide keren was het resultaat nogal pover. Die kiesdeler werd in de verste verte niet gehaald. Behalve rond verkiezingstijd horen we weinig van de VIP , die nauw verwant is met de Vereniging Indische Nederlanders (VIN). BLIMBING-redacteur Rob Dumas woonde begin mei in Rotterdam een afdelingvergadering van de VIP. Hier zijn indrukken.
De vergadering werd geleid door afdelingsvoorzitter Rob
Birsak. Uit de notulen van de vorige vergadering begin maart bleek dat onder de
leden beroering was ontstaan naar aanleiding van berichten in de krant
betreffende het Indisch Platform, waarvan de secretaris was opgestapt. De leden
waren het er over eens dat het de Indische gemeenschap op dit moment ontbreekt
aan een representatieve spreekbuis, aan een orgaan dat bij machte is de
verlangens en wensen van de Indische bevolkingsgroep zodanig te verwoorden dat
die eindelijk in Den Haag worden gehoord.
Ook ter sprake kwam de kwestie van Het Gebaar, te weten een bedrag van 250
miljoen gulden die de Nederlandse regering heeft toegekend aan de Indische
gemeenschap als compensatie voor de gebrekkige opvang die de Indische mensen
hier na Tweede Wereldoorlog ten deel viel.
De belangrijkste vraag die de elf aanwezige VIP-leden bezighield was: wie krijgt
wat?
Omdat ik de afgelopen tijd op internet veel bijzonderheden had gelezen over deze
affaire bood ik aan er iets over te vertellen. Ik betoogde dat de regering van
mening is dat Het Gebaar bedoeld is voor degenen die de opvang in Nederland aan
den lijve hebben meegemaakt. Alleen op het gebied van educatie is er ruimte voor
de jongere generaties. Het Gebaar had niet het karakter van restitutie of
rechtsherstel; er zal geen een-op-een relatie zijn tussen de hoogte van het
bedrag en het aantal personen voor wie het gebaar is bedoeld. Dus géén
individuele vergoedingen, maar het geld mag uitsluitend worden bestemd aan
ondernemingen, of projecten waar de gehele Indische gemeenschap bij gebaat zou
zijn.
Een van de oudere leden, die al eerder tijdens de vergadering had opgemerkt dat
het uit te keren geldelijk bedrag wat hem betreft mag worden gegeven aan de
armen in de Indische gemeenschap, toonde zich verbolgen over het feit dat de
regering niets wilde weten van het toekennen van 'restitutie' of 'rechtsherstel'
aan de Indische mensen voor de geleden schade, het onrecht en leed die hen waren
aangedaan tijdens en vlak ná de Tweede Wereldoorlog. Indien de regering
daadwerkelijk een geldbedrag wil schenken aan de Indische gemeenschap, dan zien
de leden liever dat dit geld wordt gegeven aan de armen in de Indische
bevolkingsgroep dan dat het wordt uitgegeven aan projecten waar bij de
uitvoering slechts een elite uit de Indische groep betrokken is. Het geld dient
te komen bij de onderste lagen van onze groep die het geld echt nodig hebben, zo
was de algemene opvatting.
Een ander lid van de VIP meldde dat hij bericht had gekregen dat iemand in Den
Haag een plaatselijke afdeling van de VIP wilde oprichten waar ook een aantal
Turkse en Marokkaanse mensen lid van wilde worden. Een ander merkte op dat dit
ertoe zou kunnen leiden dat zo'n afdeling dan zou kunnen worden overvleugeld
door Turkse en Marokkaanse leden en Indische mensen wellicht een minderheid
zouden kunnen gaan vormen. Dat zou er weer toe kunnen leiden dat Indische leden
zich zouden terugtrekken. Andere echter zagen dit gevaar niet.
Dan was er nog de zaak van de mogelijke opheffing in 2002 van de Stichting
Pelita, die al tientallen jaren Indische oorlogsgetroffenen opvangt en begeleid.
De grote meerderheid was hier zeer op tegen, omdat nog allerminst vast staat dat
de tweede en de derde generatie geen behoefte heeft aan opvang.