Mevrouw Warindi

Mevrouw Warindi woont in een grote stad in Midden Java. Ze heeft een klein huisje midden in een stadskampomg. De mensen leven hier heel dicht op elkaar. Van de welstand die zij vroeger gekend heeft, is helemaal niets meer over.
'Ik ben in 1923 ergens op Midden Java geboren. Mijn vader was administrateur van een theefabriek of zoiets, een echte Indische jongen. Zijn vader was half Duits, half Nederlands en trouwde met een meisje van hier.
Ik heb een Nederlandse opvoeding gehad en ging in Bandung naar een Europese school. Dat was een leuke tijd, met veel vriendjes en vriendinnetjes. Allemaal Hollandse of Indische kinderen. Geen inlanders. Daar gingen wij helemaal niet mee om, dat deed je nou eenmaal niet. Mijn ouders zouden dat ook zeker verboden hebben.
Mijn vader en moeder zijn kort voor de oorlog gescheiden en mijn moeder hertrouwde kort daarna met een volbloed Duitser. Lang heeft dit huwelijk niet geduurd, want hij werd door de Japanners onthoofd. Ze dachten dat hij een Hollander was.
Tijdens de Japse tijd heb ik niet zo erg geleden. Het was wel moeilijk om aan eten te komen. Dat moest je echt bij elkaar scharrelen. Gelukkig kon ik uit het kamp blijven. 
De Bersiaptijd was voor veel Indische mensen veel zwaarder. Ik liep toen al rond met een bolle buik van mijn zoon. Je deed alles om geld te zoeken. Gado-gado maken, koekjes bakken en nog veel meer. Je mocht blij zijn als je net voor één dag genoeg had. Je had geen tijd om je zorgen voor de volgende dag te maken.
In 1945, direct na de Japse tijd ben ik getrouwd. Mijn man was toen net uit het kamp. Omdat hij in 1942 als stadswacht werkte, is hij door de Japanners opgepakt en in een kamp gestopt. Wij trouwden dus midden in de Bersiap-tijd. Alles was nog een grote chaos en de Burgerlijke Stand werkte nog niet weer.
De wijkmeester verbond ons in het huwelijk, maar dat was niet geldig en in 1948 zijn we toen officieel getrouwd. Mijn zoon was toen al geboren. 
Dat was me toen een mooie toestand, zeg! Lag ik net een beetje bij te komen in het ziekenhuis op een kamer voor mij alleen, toen de deur openvloog en er een paar mannen binnenkwamen. Ze zagen er woedend uit en dat waren zij ook. Of ik inderdaad een Nederlandse achternaam had? Ik kon zo gauw niets bedenken en knikte alleen maar. Onmiddellijk werd ik uit mijn bed gesleept en naar een propvolle zaal gebracht. Vrouwen met een Hollandse naam hadden niets te zoeken in zo'n mooie eenpersoonskamer!
Later heb ik mijn naam veranderd. Niemand hoeft te weten dat ik Indo ben. Veel beter van niet. Ik koos er een met een mooie dubbele betekenis. Dat ging allemaal heel gemakkelijk. Je zei gewoon: nu heet ik zus en zo. En dat was dat. Alleen op officiele papieren staat nog mijn werkelijke naam.
Voor mijn huwelijk had ik een Nederlands paspoort. Maar omdat mijn man Chinees was en een Indonesisch paspoort had, werd ik ook Indonesische. Daar zat ik toen niet zo mee. Ik dacht er niet eens over na. Mijn man had een goede baan bij een Hollands bedrijf en ik maakte mij nergens zorgen over. Zeven jaar heeft hij bij dat bedrijf gewerkt. Toen werd hij ziekelijk en nam zelf ontslag. Dat had hij nooit moeten doen, maar wat wisten wij daar toen van?
Het begon allemaal op een toertje naar Singapore en Hong Kong. Toen we op reis waren kreeg hij zijn eerste hartaanval en daarna bleef hij sukkelen. Ik geloof wel dat hij bij die zaak had kunnen blijven werken, maar hij wilde niet meer. Toen is hij een roti-winkel begonnen.
Het werd voor Indo's steeds moeilijker, echt een rot toestand. In 1958 zouden we naar Holland gaan. Je kon toen zonder paspoort aan boord gaan. De formulieren waren ingevuld en alles was al gepakt. Op het laatste nippertje kwam een vriend van mijn man op bezoek. Hij zei: "Het is toch veel beter om hier te blijven. Waarom zou je naar Holland gaan?" En mijn man zei toen: "Okay, dan blijven we maar hier." Stom was dat. Waarom zei hij dat nou? Misschien was hij wel een beetje bang voor die vriend, want die zat bij de TNI. Een paar jaar later heb ik nog eens geprobeerd om weg te komen, maar toen had je heel veel geld nodig en dat had ik niet.
Mijn man overleed in 1969. Precies veertig dagen nadat mijn vader doodgegaan was. Dat vond ik zo gek. Precies veertig dagen later. Omdat hij niet genoeg dienstjaren had om pensioen te krijgen, heb ik nu ook niets. 
Ik ben arm en leef eigenlijk van de steun. Mijn zoon betaalt wel wat voor mij, maar dat is niet zo veel. Gelukkig heb ik nog een neef, die dokter is. Hij is erg goed voor mij en zorgt er voor dat ik mijn medicijnen zomaar voor niets krijg. Dat is belangrijk, want ik heb suiker en ik zou die medicijnen nooit zelf kunnen betalen. Medicijnen en dokterskosten zijn hier meer weggelegd voor rijke mensen. 
Als ik mij niet lekker voel, ga ik naar de telefoon, hier verderop in de kampong en dan bel ik hem op. Meestal komt hij dan 's avonds direct even naar mij kijken. Hij heeft mij ook een televisietoestel gegeven. Zo blijf ik op de hoogte van wat er gebeurt.
Met mijn zoon is het heel anders. Hij is goed en zacht, echt een lieve jongen, maar zijn vrouw wil niet dat wij elkaar zien. Zij komt mij het geld brengen, niet hij, dat mag niet van haar. Zij is echt zo'n mooie Chinese dame, maar mijn zoon is een pantoffelheld, hij kan niet tegen haar op. En we zien elkaar dus maar een keer in het jaar, terwijl wij in dezelfde stad wonen. Nu ga ik er ook niet meer naar toe. Het gaat nu eenmaal niet tussen haar en mij. Ik ben wel arm, maar hoef daarom nog niet onderdanig te zijn. Zij hebben geen eerbied voor mij en dat is niet goed; voor je moeder moet je eerbied hebben.
Ik heb een broer in Holland en ook nog een halfbroer. Mijn broer en ik hebben niet dezelfde achternaam. Toen mijn moeder zwanger van hem was, ging zij van mijn vader scheiden. Mijn broer heeft daarom de naam van mijn stiefvader.
Hij schreef mij eens: "Kom toch naar Holland. Ik ken een aardige Indische man die een beetje verzorgd moet worden." Maar ik heb het niet aangenomen. Misschien zou die Indische man mij niet zo aardig vinden en mij weer terugsturen. Dan had ik geen huisje meer. Later dacht ik vaak, dat ik beter wel had kunnen gaan. Nou ja, er is niets meer aan te doen, sudahlah. En trouwens, Holland is toch ook al vol, daar willen ze ons er echt niet bij hebben. Misschien zou ik ook wel niet kunnen wennen, want ik ben nu eenmaal hier geboren en getogen.
Vroeger was dit land van ons. Ik vind het jammer dat dat nu niet meer zo is. Als Indo hoorde je er toen echt bij. Mijn vader verdiende honderd gulden per maand en had een auto met chauffeur. Wij hadden echt aanzien. Nu is het allemaal heel anders. Kijk toch eens hoe ik nu leef! Diep in de kampong en zulke armoedige omstandigheden! Dat had ik vroeger toch helemaal niet kunnen denken. Als iemand mij dat gezegd had, had ik het niet eens geloofd. Hier weet ook niemand dat ik Indisch ben. Dat komt omdat ik de streektaal spreek. Als ze het wel zouden weten, zouden ze niet meer aardig voor mij zijn. Je moet dus altijd een dubbele rol spelen.
Ik voel mij wel vaak alleen, maar gelukkig heb ik mijn katten nog. Het zijn er nu een stuk of vijftien. Ik kan ze niet wegdoen, ik voel kasian met ze. Maar vijftien is wel veel, hoor. Eigenlijk houdt ik meer van honden, maar daar zou de buurt zich aan ergeren.
Soms wordt het mij allemaal wel eens te veel en dan denk ik: waarom is alles toch zo anders geworden? Ik kan er met niemand over praten. Er is niemand bij wie ik mijn hart kan uitstorten. De mensen hier in de buurt zijn wel aardig, maar hun manieren zijn zo anders, veel stijver en zo. Wij zijn meer grappig en houden van lol maken. Ik zorg er steeds voor dat er afstand blijft, dat is beter, anders wordt het voor mij erg lastig. Ze zijn wel net zo arm als ik. Misschien hebben zij het zelfs nog wel slechter. Ik krijg nog een beetje steun, maar zij krijgen helemaal niets, geloof ik.
Als ik verdrietig ben dan ga ik eens even flink huilen en dan ga ik bidden. Dat helpt. En daarna doe ik nieuwe lippenstift op, dat helpt ook. Alles is dan ineens weer een stuk beter. En misschien had ik in Holland toch nooit kunnen wennen. In ieder geval is er nu niets meer aan te doen. 
Sudahlah'.