|
COLOFON Bezuinigingen Amanda´s Laatste Kans Dat is me toch
wat Lilian Ducelle over Indisch in de aanbieding Mislukte informatie over Tweede Gebaar Verslag open discussies over BHO Bespreking achterstelling in BHO Discussiemiddag over Het Tweede Gebaar, een farce Brief INOG aan Indisch Platform Verslag vijfde Jembatanforum dd 9 november Verslag Perkara-forum 22 oktober Moderne boekhandels in Jakarta Open brief aan voorzitter klankbordgroep Indisch Platform is niet verantwoordelijk Jembatanreactie op Jan de Kleyn BOEKEN: juni 2002
Standpunt ambassadeur Abdul Irsan
Symposium
|
Toen ik ongeveer een jaar geleden werd benaderd door AD Magazine om een stuk te schrijven over de Nakamura-schat stelde ik als voorwaarde dat mij de gelegenheid werd gegeven de zaak zo volledig mogelijk uit te zoeken. Het zoveelste geromantiseerde verhaal over deze kwestie leek me geen goed idee. De redactie ging accoord en werkte ook bij het researchwerk goed mee. Ik begon om in mijn archief de 16-delige serie die in 1961 over de zaak was verschenen in Televizier op te diepen en te lezen. Het bleek een zeer breedvoerig betoog, met vaak uitwijdingen over zaken die er niets mee te maken hebben en waarin ook een aantal essentiele zaken ontbreken, of onjuist blijken te zijn. Maar wel veel foto’s en illustraties. Het materiaal voor het verhaal was gebaseerd op een dossier dat mr. E. Brunsveld van Hulten, de schrijver van het verhaal en officier van justitie in de zaak tegen Carla Wolff en nog een heel stel mensen die met de zaak te maken hadden gehad. Waar was Brunsveld’s dossier gebleven? Gelukkig bleek de weduwe van Brunsveld nog springlevend te zijn. Ze woont als beeldend kunstenares in het Rosa Spierhuis in Laren (NH). Ze vertelde dat zij en haar man nog tot 1961 in Indonesië waren gebleven, waar haar man had gewerkt als advocaat in Surabaya. Tijdens hun verblijf hadden ze in Nederland een pensioen bij elkaar gespaard. Terug in Nederland bleek dat het nog zeker een jaar zou duren voor het pensioen kon worden uitbetaald. Er moest dus geld worden verdiend. Brunsveld had alle dossiers rond de processen tegen Wolff en anderen al die jaren goed bewaard. Hij benaderde Televizier met de vraag of die wat voelde voor een serie, die hij zou (laten) schrijven. Eerst was er nog een soort ghostschrijver (een bekende journalist) ingehuurd, maar daar waren Brunsveld noch de hoofdredacteur van Televizier erg tevreden over. Eind 2000 verscheen in het veteranenblad Checkpoint een artikel over de Nakamuraschat, van de hand van Henk Hovinga, dat helaas niet erg goed was geresearched. Directeur Loe de Jong van wat toen nog het Rijkinstituut voor Oorlogsdocumantatie (RIOD) heette, eiste bij Brunsveld het dossier op, maar dat weigerde deze, omdat hij en zijn vrouw zich zeer hadden gestoord aan de hooghartige toon waarop De Jong hen had benaderd. Toen mr. Brunsveld eind jaren ’80 overleed wilde zijn weduwe wel eens van dat Nakamura-dossier af, maar aan een Nederlands instituut of archief wilde ze het niet afstaan vanwege De Jongs houding in ‘61. Mevrouw Brunsvelds dochter kwam veel in Japan, omdat zij kinderboeken die zij had geillustreerd, daar wilde laten vertalen en uitgeven. Zij kwam daar in contact met het Japanse Vredesinstituut en vroeg of ze belangstelling hadden voor het Nakamura-dossier van haar overleden vader. Dat hadden ze wel. Een buurman van de Brunsvelds was een jonge historicus met speciale belangstelling voor Zuid-Oost Azie. Hij was ook wel geinteresseerd in Brunsveld dossier. Vóór het naar Japan ging kreeg hij de gelegenheid het hele dossier te kopieren. Later werd hij hoogleraar in Duitsland, nu doceert hij in Berlijn. De voor mijn artikelen relevante stukken uit dat dossier heb ik van hem mogen kopiëren en gebruiken.Intussen begaf ik mij naar verschillende rijksarchieven in Nederland om na te gaan of zij materiaal hadden, zoals verhoren en rechtbankverslagen over de Nakamura-zaak. Bij Buitenlandse Zaken lag een doos, maar ook bij het Algemeen Rijksarchief (ARA) dat inmiddels is omgedoopt tot Nationaal Archief bevonden zich stukken. Bij het NIOD hadden ze de volledige tekst van het vonnis tegen Nakamura en zijn chef Nomura en veel Indische kranten uit die tijd. Bij Defensie vond ik het verslag van de Commissie Zaaijer plus bijlagen. Veel van het materiaal dat ik wilde zien is ‘semi-openbaar’. Dat wil zeggen dat voor je iets mag inzien je een verklaring moet tekenen dat alles wat je publiceert op grond van hun stukken, eerst aan het betreffende instituut moet voorleggen. Zij hebben het recht om op grond van de Archiefwet en de Wet op de Privacy passages te schrappen. Dit is niet de enige beperking. Soms mag je niet eens de stukken kopieren. Niemand heeft mij ooit duidelijk kunnen maken waaraan die extra beperking ten grondslag ligt. Het is gek, want gewoon overschrijven mag wel! Dat kan veel extra werk zijn, want dat eerder genoemde Nakamura-vonnis, dat ook niet gekopieerd mocht worden, beslaat 25 getikte velletjes. Voor het inkijken en kopieren van oude kranten is geen speciale toestemming nodig, maar vreemd genoeg weten de instituten zelf vaak niet welke kranten en jaargangen ze in huis hebben. En al helemaal niet waar je bepaalde Indische kranten dan wel kunt vinden als het instituut waar je ze zoekt ze niet blijkt te hebben. Een voorbeeld. Een belangrijke nieuwe krant die meteen na de oorlog in Batavia ging verschijnen (op stencil) was de Nieuwsgier. Volgens een overzicht van alle vindplaatsen van alle ooit in Nederlands-Indië of Indonesië verschenen dagbladen, afkomstig uit Amerikaanse bron dat ik ooit in handen kreeg (en meteen kopieerde!) blijkt dat bij het NIOD vele jaargangen liggen van de Nieuwsgier. Maar in de computer van het NIOD kwam deze krant niet voor. Omdat ik het zo zeker wist mocht ik onder leiding van een functionaris in de krantenkelder kijker. En ja hoor, daar stonden de door mij gezochte jaargangen keurig op een rijtje. Oproepen Hoewel de kwestie zich 57 jaar geleden afspeelde heb ik toch geprobeerd nog oogetuigen te vinden. Eerst plaatsten we een oproep in een aantal Nederlandse dagbladen, waarin we een heel stel namen noemden van mensen uit de directe omgeving van Carla Wolff. De respons viel tegen. De belangrijste tip was het adres van een man die indertijd ‘bodyguard’ was geweest van Carla Wolff en nu in Amerika woont. Op mijn brieven heeft hij nooit geantwoord en de telefoon nam hij niet op, of gooide hij neer zodra ik me meldde. Jammer. Toen volgde een oproep van een halve pagina in Moesson. Ook hier maar enkele reacties, waarvan de belagrijkste kwam uit Australië. Het was mevr. Diephuis, de weduwe van de openbare aanklager in het proces voor de Temporaire Krijgsraad tegen Nakamura. Zij bleek nog te beschikken over bijzondere foto’s van Nakamura en Nomura voor hun rechters in 1948. Ook meldde zich een vroegere minnaar van Carla Wolff die iets meer wist over haar kinderen en die haar nog begin jaren ’60 in Den Haag had ontmoet. Intussen trachtte de documentalist van AD Magazine via de burgerlijke stand van Den Haag te weten te komen of Carla Wolff nog leefde en of er kinderen van haar in Den Haag woonden. Na enkele weken en vele telefoontjes meldde de Haagse gemeenteambtenaar dat Carla Wolff in 1987, of 1986 in Indonesie was overleden. Ze bleek in 1908 te zijn geboren en dus acht jaar ouder te zijn dan ze altijd had gezegd. Weer een paar weken later kregen we het adres (geen telefoonnummer) van Carla’s oudste zoon. We schreven hem een uitgebreide brief met enkele vragen en boden hem zelfs aan het conceptartikel te lezen als hij maar reageerde. Geen enkele reactie. Via via vernamen we wel dat hij onze brief had gekregen, maar niet wilde reageren, omdat hij zich niets meer van de Nakamura-zaak kon herinneren. De datum van publicatie begon te naderen en ik stond voor een dilemma. Moest ik de voornamen van de vier kinderen die de vroegere minnaar van Carla had genoemd nu wel of niet vermelden? Je tast er de privacy van deze mensen door aan, maar aan de andere kant schept wel publiceren de kans in contact te komen met een of meerdere van haar kinderen. We besloten voor het laatste. En het werkte! Een andere zoon van Carla meldde zich en was terecht boos dat zijn naam zomaar in het artikel stond vermeld. Ik bezocht hem en legde uit dat we zijn broer hadden geschreven en dat die niet had gereageerd. Eén telefoontje van hem, al zou dat beperkt zijn gebleven tot een dringend verzoek zijn naam en dat van zijn broers en zus niet te vermelden, zou voor mij genoeg zijn geweest van publicatie van de namen af te zien. Het gesprek met de boze zoon van Carla verliep aanvankelijk nogal stroef, maar nadat hij accoord was gegaan met mijn voorstel een brief te schrijven aan de hoofdredacteur van AD Magazine om zijn beklag te doen, met als resultaat een excuusbrief, wilde hij wel vertellen over zijn moeder. De mededelingen afkomstig van de eerder genoemde voormalige minaar van Carla klopte niet. Het zat anders. Het gezin Wolff bestond niet uit vier maar uit acht kinderen. Carla had niet twee maar één kind van Nakamura. Na de oorlog had zij nog een kind, het tiende dus, gekregen van een onbekende man. Zij trouwde in Indonesië eerst met een Nederlandse officier, van wie zij al gauw weer scheidde. Daarna trouwde ze met ritmeester Vic Robbers. Met hem en met haar jongste twee kinderen, dat van Nakamura en dat van de onbekende man, vertrok zij begin jaren ’50 naar Nederland en kwam terecht in een pension in Den Haag. De kinderen Wolff bleven, althans voorlopig, achter bij hun vader in Indonesië, die overigens nooit aan de Birma-spoor heeft gewerkt, maar de gehele bezettingstijd in krijgsgevangenschap op Java is gebleven. De zoon met wie ik sprak zei pas in 1967 met een jongere broer in Nederland te zijn gekomen. De zoon van Nakamura, die zich Ken De Jong (meisjesnaam van Carla) noemde keerde toen hij 18 jaar was definitief terug naar Indonesië. De in het artikel genoemde dochter (ik zal haar naam niet nogmaals noemen) trouwde in de jaren ’70 met een steenrijke Indonesiër en vestigde zich in zijn en haar geboorteland. In 1985 nodigde zij haar zieke moeder uit enige tijd bij haar en haar man te verblijven. Zij is daar toen overleden. De bovenstaande mededelingen omtrent Carla Wolff, die oorsponkelijk Clara de Jong heette, bevatten de belangrijkste aanvullende gegevens die ik als reactie op de artikelen heb gekregen. Mijn uitgebreide speurwerk heeft echter veel meer materiaal opgeleverd dan ik in de twee AD Magazine-artikelen kwijt kon. Ik overweeg dan ook serieus een boek(je) te maken waar ik het hele verhaal, voor zover ik het heb kunnen reconstrueren, wil opschrijven. Ik heb al één uitgever (Aspekt in Soesterberg) benaderd, maar als er onder Blimbing-lezers mensen zijn die andere suggesties hebben, dan houd ik me zeer aanbevolen.!
Beide artikelen (zonder de illustraties) zijn te lezen op de site van het
Algemeen Dagblad: http://www.ad.nl |
NIEUW-INDISCH Kamus Elektronik Bahasa Indonesia
INDOWEB
Bona Ni Pasogit |
|
De gedrukte versie van BLIMBING
kost Euro 2,50 (o.m. bij Boekhandel Van Stockum in Den Haag) |