|
ARCHIEF

Hier klikken
Afgang van een feestje
Overzicht uit de kranten
VOC:
Wat vieren?
Reacties
Standpunt ambassadeur Abdul Irsan
Symposium
13 april 2002
Trouw
interview
KNIL Mythe
Warga-negara:
Het Gebaar
8 maart Forum
Samenwerking
ICC en IH
Poncke Princen Overleden
VIP Interview
Swaving: Maatje Dies
Slavernijmonument
Usman Santi (PvdA)
Kant en klaar
Treffend taalgebruik
Schlechter: Tokeks
British Library
Schumacher: Recensies
Deetman: Boeken
Verslagen bijeenkomsten
AGENDA
Ingezonden
| |
Toespraak van Hans Vervoort bij Introductie nieuw boek
Joop van den Berg
'Ajoh dan, neem... néém...'
ISBN 90 453 0121 0
Uitgeverij BZZTOH
aantal pag.: 160
Prijs € 13,50
Ik vind het geweldig dat Joop van den Berg mij
het eerste exemplaar van zijn boek wilde uitreiken. Maar het verrast me ook een
beetje. Want dit boek gaat over eten en dat is voor mij een heel nieuw aspect
van Joop’s identiteit. Als wij elkaar ontmoeten staan we altijd allebei met een
glas in de hand. En in zijn autobiografische verhalenbundel Een Mors Huis wordt,
dacht ik, in het geheel niet gegeten. Een mors huis, het woord zegt het al. Het
speelt in Nieuw-Guinea in de jaren zestig en daar gaan de calorieën op de
snelste manier naar binnen, de alcoholische weg. Andere mogelijkheden zijn er
niet, ze worden in elk geval niet vermeld. De manier waarop Joop van den Berg
dat leven beschrijft leest net zo boeiend als het literaire werk van die andere
Joop, Joop Waasdorp die een paar mooie boeken heeft geschreven over zijn jaren
in Australië en het dagelijkse ontbijten met verschaald bier van het treurige
feest van de vorige nacht.
In dit boek over de rijsttafel zal ik vermoedelijk een heel andere Joop van den
Berg leren kennen. En als hij durft te bekennen dat hij tegenwoordig eet, dan
kan ik eigenlijk niet achterblijven.
Ik dacht altijd dat ik het goed verborgen had gehouden en ik weet ook niet hoe
Joop het ontdekt heeft. Maar hij heeft het ontdekt en nu we hier toch onder
elkaar zijn wil ik het ook wel eens eerlijk toegeven.
Ik héb iets met eten. Ik doe het eigenlijk elke dag. Ik doe het elke dag wel een
paar keer. Soms wel drie keer..Als ik niet eet krijg ik
ontwenningsverschijnselen, dan voel ik me slap en trillerig. Ik verlies mijn
concentratievermogen.
Iedereen weet wat dat betekent: dat ben je verslaafd.
Ik heb van alles geprobeerd om van die eetverslaving af te komen. Kleinere
porties, om de dag eten, bolletjes slikken om de maag te vullen. Niets hielp.
Ze zeggen dat je ermee kan stoppen. Probeer eens cold turkey raadde
iemand me aan. Ik heb het geprobeerd maar bij mij werkt het niet. Ik vind koude
kalkoen juist heel lekker.
Het ergste van zo’n eetverslaving is dat je vereenzaamt. Je voelt je minder dan
anderen.
Je denkt dat je een uitzondering bent. Pas toen vrienden mij meenamen naar de
Pasar Malam in den Haag merkte ik dat ik behoorde tot een groep. Ogenschijnlijk
gaat het bij die Pasar Malam om cultuur. Houten beelden, koloniale meubels en
optredens van Adriaan van Dis en Marion Bloem. Dat is het front. Maar in tent
drie, even rechts van de toiletten en dan straight rechtdoor vond ik mijn
walhalla. De eettent!
Sop Kambing van tante Mia, Nasi Tjampoer van Toko Bandung,
pecel van Doedie, en verder gado-gado, ondé-ondé, zuurzak,
nangka, ach..ach..
En ik was niet alleen. Ik was terug in mijn thuisland met de mensen die ik kende
van mijn jeugd.
Die jeugd was overigens nogal Spartaans begonnen in de jaren veertig, kamp
Ambarawa, waar culinair heel weinig te beleven viel. Het is een hard oordeel, ik
weet het, maar iemand moet het een keer zeggen: het eten in het kamp stelde
weinig voor. Al zal ik nooit de smaak vergeten van dat in de zon gedroogde
boterhammetje met sambal dat ik daar ooit op een feestdag naar binnen mocht
werken. Een godenmaal. Maar verder...nee. Ik heb uit dat kamp ook heel lang de
indruk overgehouden dat koken een honds moeilijk karwei was. Als vijfjarige had
ik weinig te doen en ik liep dus veel rond. Hier te kijken, daar te turen. En ik
zag een keer een ouder meisje, ze was wel een jaar of tien, vlijtig aan het
kipassen bij een arangstelletje met een paar gloeiende kooltjes er
in. Er stond een pannetje water op het vuur en geregeld riep haar moeder uit de
verte: kookt het al? Nee, riep het meisje dan terug en dat leverde scheldwoorden
van haar moeder op, waarna ze de kipas met dubbele snelheid heen en weer
liet gaan.
Toen ik een half uur later opnieuw langs kwam was ze nog steeds bezig het water
aan de kook te krijgen. Zo’n groot meisje dat het niet voor elkaar kreeg om
water te koken, dan moest het wel een heel moeilijk karwei zijn. Dat idee heb ik
lang met me meegedragen.
Maar na het kamp kwam luilekkerland. Altijd en overal was er eten. Thuis en bij
de vriendjes van school. Het kwam uit koektrommels, uit pisangbladen, uit
stoompannen, uit wadjans, uit blikjes. Je kon het zo gek niet bedenken of er
kwam voedsel uit. Als we om l uur uit school kwamen stond de warme maaltijd
klaar: rijst met altijd wel zo’n zes of zeven gerechten. Dan de verplichte
middagrust en als we om drie of vier uur wakker werden had kokki iets
lekkers
voor bij de thee. Nu een zoetigheid. Onde-onde of pisang goreng of
zwarte rijst. Daar en toen heb ik die voedselverslaving opgelopen. Soms lopen de
kilo’s te snel op en moet ik mijn eetlust inperken. Daar heb ik kort geleden
iets op gevonden: ik lees dan een stukje uit het boek dat Bas Veth in het jaar
1900 schreef over zijn verblijf in Indie. Hij was een handelaar in ongeregeld
goed die 12 jaar doorbracht in de kolonie, en hij haatte elke minuut daarvan.
Eenmaal terug in Nederland schreef hij een boek over zijn ervaringen onder de
eenvoudige titel ´Het Leven in Nederlandsch Indië´. Het riep stormen van
verontwaardiging op en werd een klassieker. Ik zal u voorlezen wat hij over de
rijsttafel schreef:
De rijsttafel werd geboren uit den drang der omstandigheden.
Rijst is er plenty in Indië. En ook lombok en ook verregaand bedorven visch:
trassi geheten. En er is kip, o! zooveel kip, magere, taaie kip, en er zijn
kippeneieren en eendeneieren, gezouten, anders bederven ze, zoals alles in Indië
bederft. En er is kerri, vuil-groenkleurige kerrie, niet te verwarren met de
geurige, bruine kerrie van Voor-Indie. En er is zoo iets als witte kool.
Maar dat alles op zichzelf smaakt beroerd.
Wacht, dachten de soldaten en de matrozen, die 't eerst in Indie kwamen, gooit
dat alles door elkaar. Laat de peper den smaak bedriegen van al dat ordinaire
eten; laat de rijst — rein en onbedorven van smaak — het hoofdgerecht zijn en
laat een kerriesaus, met witte kool er in, de hutspot besproeien en wij leveren
u de hoofdingrediënten voor een kost, waarin ge alles, wat even eetbaar is, kunt
mengen.
En het verlengstuk van de ratjetoes en de hutspots werd de rijsttafel.
Dank aan deze hoofd-ingredienten, kan je in de rijsttafel alles gooien. Roode
vischjes, uitjes, chutney, gebraden, gekookte, gebakken, gestoofde kip, gebakken
visch, gekookte visch, sajor-an bij de vleet — gekruid of niet gekruid —,
komkommers, frikkadel (indisch gehakt, je kunt het al aan het woord merken). En
dan nog een ontzettend aantal indische schoteltjes, waarvan ik gelukkig de namen
niet ken.
En nu begint ge dat allegaartje door elkaar te roeren op een diep bord. Hier en
daar doet ge wat op de schoteltjes naast uw bord.
Wanneer nu alles goed is door elkaar geroerd en overgoten met wat stinksausjes,
dan is uw rijsttafel klaar. Eet nu maar raak.
Zorg voor een beetje ,,bedis" — fijngehakte roode
lombok — apart op den rand van uw bord en wat rot-riekende trassi en ge zijt au
grand complet.
Met volle happen gaat al dat saamgefrommelde eten naar binnen.
Kijk, als je dat leest wil je even geen rijsttafel. Zeker niet als je op een
andere pagina leest hoe Veth de eetgewoonten van de koloniale indischman
beschrijft: Borden vol rijst met vieze poespas verdwijnen achter zijn kaken,
totdat hij etenszat zijn bedtent opzoekt waar hij als een boa-constrictor ligt
te dirigeren tot vijf uur ’s middags.
Arme Bas Veth die al die jaren de rijsttafelgerechten door elkaar husselde omdat
hij dacht dat het zo moest. Daar draait je maag echt van om en na een paar
pagina’s Bas Veth vliegen de kilo’s er bij mij af.
Zoals ze er bij het lezen van dit rijsttafelboek van Joop er vermoedelijk weer
aan zullen vliegen.
In 1974 reisde ik voor het eerst sinds mijn jeugd weer door Java en het viel me
toen op dat het eten dat je daar kreeg beslist niet beter was en vaak slechter
dan wat je in Nederland bij de Indische winkel en in het Indonesische restaurant
voorgeschoteld kreeg. Het meest waarschijnlijk is natuurlijk dat het heimwee van
de in Nederland wonende oud-indischgasten geleid heeft tot perfectionering van
de Indische kookkunst. Maar in het boek dat ik over die reis schreef lanceerde
ik ook nog een Darwiniaanse theorie.
Je zou kunnen opperen (schreef ik toen) dat de Nederlanders in hun koloniale
tijd het culinair talent van Indonesië afgeroomd hebben. Indische mensen zijn nu
eenmaal vaak ontstaan uit een verhouding tussen Hollanders en hun huishoudster
en aangezien het hart van de man door de maag gaat ligt het voor de hand te
veronderstellen dat de Hollanders vooral de betere kokkinnen als huishoudster
aantrokken. Met de soevereiniteitsoverdracht verdween een groot deel van de
Indische mensen naar Nederland, en daarmee ook een schat aan kookervaring,
kooklust, en van moeder op dochter overgedragen recepten. In Indonesië bleven de
mindere koks achter. Arm land!
Mijn moeder was Hollands, ik had dus culinair pech. Toen we in 1953 terugkeerden
naar Nederland had ze wel zeventien jaar Indisch gegeten maar geen enkele
kookervaring. Want koken, dat deed de kokkie. En daar ging je niet met je neus
bovenop staan, want dat vond kokkie niet leuk.
Mijn moeder viel dus terug op de Hollandse sudderlappen met kruimige aardappels
en doodgekookte groente die ze in haar jeugd had leren maken. Heel geleidelijk
probeerde ze meer en als stille wenk heb ik haar wel eens een boek van Bep Vuyk
gegeven. Een kookboek natuurlijk, de andere hield ik zelf. Mijn moeder is nooit
een geweldige Indische kok geworden, net zo min als ik. Maar als ik nu de titel
zie van Joop’s boek: Ajoh dan, neem.. neem.. dan zie ik haar toch weer
voor me. Want in gulheid en gastvrijheid was zij wel heel Indisch geworden.
Heeft dat stukje vlees gezondigd, Hans? Proef dat aardappeltje toch. En als ik
of mijn zus dan met een laatste krachtsinspanning de schaal had leeggegeten was
steevast haar reactie: heb ik toch weer te weinig gekookt!
Beste Joop, je boek heeft veel bij mij losgemaakt. En ik heb het nog niet eens
gelezen! Als je
uitgever
een beetje handig is legt hij een stapel in tent drie van de Pasar Malam. Daar
waar de eters zijn. Ik zeg je, twintig drukken minstens.
Betoel Betoel!
Website Hans
Vervoort
| |
Bezoekers-statistieken
LINKS

Uit de zak van de Tjelana Monjet

BBC: Indonesian Flashpoints


LAYANGAN
12 Indodichters
Sierkan-lezingen
Onze
Plek
NIEUW-INDISCH
Nieuw-Indisch: meer aandacht in de media voor de indische cultuur
Kamus Elektronik Bahasa Indonesia
INDOWEB
community voor
indo's op het i-net
Bona Ni Pasogit
Batakse stammen
|