|
ARCHIEF

Hier klikken
Afgang van een feestje
Overzicht uit de kranten
VOC:
Wat vieren?
Reacties
Standpunt ambassadeur Abdul Irsan
Symposium
13 april 2002
Trouw
interview
KNIL Mythe
Warga-negara:
Het Gebaar
8 maart Forum
Samenwerking
ICC en IH
Poncke Princen Overleden
VIP Interview
Swaving: Maatje Dies
Slavernijmonument
Usman Santi (PvdA)
Kant en klaar
Treffend taalgebruik
Schlechter: Tokeks
British Library
Schumacher: Recensies
Deetman: Boeken
Verslagen bijeenkomsten
AGENDA
Ingezonden
| |
verslag
voorbespreking financiële afwikkeling indische dekolonisatie in kader breed
historisch onderzoek
actiegroep jembatan
met
vertegenwoordigers van diverse indische organisaties
plaats : icc de graanschuur -
zoetermeer
datum : 28 februari 2003
tijd : 13:15 - 16:00
dagvoorzitter : huib deetman
NOTULEN
: RENEE SOUTE
-
opening
Huib Deetman staat stil bij de
plotselinge dood van Peter de Ridder, zo nauw betrokken bij de Indische
perkara. Het vele werk dat Peter voor de actiegroep verrichtte kenmerkte zich
vooral door oog hebben voor detail. Actiegroep Jembatan verloor een
gerespecteerd groepslid en bijzondere vriend. We leven sterk mee met zijn
familie en wensen deze alle sterkte bij de verwerking van dit onvervangbare
verlies.
-
breed historisch
onderzoek naar de (financiële) gevolgen van de indische koloniale
en postkoloniale politiek in de jaren veertig en vijftig
De actiegroep organiseert
symposia over onderwerpen die de Indische gemeenschap in Nederland raken. De
bedoeling van deze middag is brainstormen over de inhoud van het breed
historisch onderzoek (BHO) dat in
opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt gedaan
en uitgevoerd door het
Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Het BHO omvat de volgende vier
deelstudies:
- Indonesianisasi en
nationalisme;
- de financiële
afwikkeling van oorlog en dekolonisatie (schade en rechtsherstel; back-pay
kwestie in internationaal perspectief);
- nieuwe ordes,
misdaad en gezag;
- de dekolonisatie van
de stedelijke samenleving.
Vorig
jaar december startte het NIOD met het BHO.Uit het zogeheten spoorboekje
(traject deelstudies) blijkt
opnieuw de mening van de Indische achterban niet te zijn gepeild. In alle
vier onderdelen namelijk worden
bepaalde groepen - destijds net zo goed deel uitmakend van de samenleving
in Nederlands-Indië - wel
betrokken en andere weer niet. De vraag is daarom waarom wél, waarom níet?
Aan het slot van deze middag wordt de aanwezigen de vraag voorgelegd wat
te doen met de conclusies van de voorbespreking.
De
heer Bovens herinnert aan de uitleg die destijds door het IP werd gegeven
aan uitbetaling van Het Gebaar. Die wees oorspronkelijk in de richting van
rechtsherstel. Het NIOD spreekt niettemin van een Breed Historisch
Onderzoek en suggereert hiermee dat het wetenschappelijk van opzet is.
Intussen blijkt die niet te voldoen aan de verwachtingen van het Indisch
Platform, noch aan die van de Indische gemeenschap. Waarom, vraagt hij zich af,
wordt het BHO door VWS gefinancierd en niet door OC&W? Ter discussie staat
dan ook het wetenschappelijke gehalte van dit BHO. Mevrouw De Senerpont
Domis stelde diezelfde vraag aan de overheid. Het antwoord luidde: ‘De
band tussen VWS en de Indische gemeenschap is historisch gegroeid’.
Het is van belang de achterban van meneer Bovens los te koppelen van de
zieligheid waaraan Pelita haar bestaans- recht ontleent, is de mening van de
heer Deeleman. Waarom het BHO niet onder OC&W valt dient door of wel
VWS, of wel OC&W, of wel de minister-president beantwoord te worden. Mevrouw
Van Drongelen wijst er op dat het BHO ooit gezien werd als onderdeel
van Het Gebaar. Het ‘spoorboekje’ laat echter zien dat het nu een heel andere
inhoud heeft gekregen. Door de huidige status hoort het andermaal niet thuis bij
VWS. Mevrouw Korvinus vindt dat humaniteit slechts één component in
het totale geheel is. Volgens haar moet daarom niet gekeken worden naar een
enkel ministerie. De financiële belangen van groepen en individuen zijn even
belangrijk. Wat is overigens het gewicht van de adviesgroep binnen het NIOD,
vraagt zij. De heer Deetman bevestigt dat de adviesgroep aan plannen
werkt die te maken hebben met de directe termijn én met die welke op een later
tijdtip van toepassing zijn. De mening van de heer Bovens als zou het
IP zich telkens beroepen op de mogelijkheid tot indiening van financiële
claims door groepen, welke constatering duidelijker verwoord zou moeten
worden door een wetenschappelijk bureau dat tevens als opdrachtgever fungeert
en de consequentie(s) van de uitkomst(en) tot haar verantwoordelijkheid rekent,
wordt niet door de heer Deeleman gedeeld. Vragen over financiële
kwesties en verantwoordelijkheden dienen zijns inziens aan de overheid gesteld
en door haar beantwoord te worden. Van toepassing is nu: wat willen wij met dat
BHO? Te meer omdat ná publicatie L. de Jong’s deel XI en XII - onder de
Indische groep - als het ware een opstand uitbrak. Die Indische groep zou
zich in dit BHO pro-actief moeten opstellen. Rechtstreeks of via het IP is niet
relevant. Wat is trouwens de taak van de adviesgroep?, vraagt hij.
De heer Deetman: De adviesgroep ziet toe op het verloop van het
onderzoek, de presentatie en de informatie naar het publiek. In het kort komt
het hierop neer: de adviesgroep adviseert wat het NIOD adviseert.
De heer Deeleman zegt dat op deze wijze de adviesgroep iedere
keer wel achter de feiten aanloopt. “Wil zij dat? De adviesgroep zou eerder
het NIOD moeten adviseren wat het inhoudelijk moet doen.” Dus gebeurt het dat
zonder raadpleging vooraf van de Indische achterban belangrijke elementen van
de Indische geschiedenis zijn/worden weggelaten, antwoordt de heer Deetman.
De constatering is dus dat de adviesgroep re-actief in plaats van pro-actief
werkt?, stelt mevrouw Korvinus vast.
Mevrouw Kasaumus informeert naar de betekenis van Indonesianisasi? “U
kunt dat zien als de verschuiving van het Nederlandse tintje naar het
Indonesische tintje”, legt de heer Deetman uit. De heer Deeleman:
En die is - ook ná de Japanse Bezetting - mislukt! Punt 2: vanaf welk
moment is volgens het NIOD sprake van Indonesianisasi? Het omvat de
tijdsperiode 1938 tot 1968, aldus de heer Deetman. In de ogen van de heer
Deeleman is dat veel te weinig. Is er geen zinniger tijdsperiode? Zo
vallen er grote hiaten. Indonesianisasi ving aan in 1908; de Eed van de Jongeren
was in 1928! Ook de heer Bovens vindt dat wanneer het de uitbreiding
naar de huidige tijd betreft, het verstandiger is de keuze te laten vallen
vanaf 1900 tot 1960. Tót de kwestie Nieuw-Guinea, omdat er al zoveel bekend is
over de latere perioden.
De heer Meulemans : Welke punten zijn in het BHO relevant met
betrekking tot financiële claims? Antwoord van de heer Deetman : Dat is
een gesloten deur. Mevrouw Korvinus : Wat mag dan het doel zijn van
2A en 2B respectievelijk Schade en Rechtsherstel en de
Back-pay kwestie in internationaal perspectief? Opmerking van de
heer Bovens : Een onderzoek naar de dekolonisatie van de
stedelijke samenleving is anders ook onzin.
De heer Deetman laat weten dat 2A en 2B gerelateerd zijn aan
internationale zaken. Hiermee worden niet de individuele claims bedoeld. Die
worden bovendien sowieso niet gehonoreerd, gezien het rapport Indische Tegoeden
dat recentelijk aan de staatssecretaris werd overhandigd. De heer Bovens
voert aan dat de bron van dát rapport uit het materiaal van Van Galen is
gedistilleerd. Van Galen heeft niet gekeken naar de kwestie rondom de visa
verstrekking, noch het Spijtoptanten-beleid en zo kan de hij nog wel even
doorgaan. Van Galen heeft ook niet gekeken naar wat er op het gebied van de
tegoeden nog voorhanden is in Indonesië, in Japan en zelfs in Nederland. Er is
ook geen aandacht geweest voor de mensen die in Indonesië zijn gebleven. Wél
- en dat schijnt eeuwig te moeten - is door Van Galen gekeken naar hen die
ná de oorlog naar Australië, Amerika of elders vertrokken. De heer Bovens vindt
het Rapport Van Galen überhaupt één van kwestieuze aard.
Géén van de vier deelstudies, aldus mevrouw Van Drongelen, gaat over
ons Indische Nederlanders. Wat Lou de Jong in deel XI en XII zo
jammerlijk verzuimde, zou juist in het BHO gepareerd kunnen worden. Nu bestaat
de indruk dat de onderzoekers aan de slag zijn gegaan om de eer en glorie van
het NIOD. De heer Deeleman ziet liever niet dat er alleen gepraat
wordt over Indische Nederlanders of over de achtergeblevenen. Ook de leden van
de Chinese gemeenschap in Nederlands-Indië, de Molukkers, Atjehers en
Papoea’s vielen onder het Nederlandse gezag en niet te vergeten de
Indonesiërs (romusha). Allen waren Nederlands onderdaan. Door geen
verantwoordelijkheid te nemen is eenieder van hen groot onrecht aangedaan.
Het is jammer dat dit gapende gat door het BHO niet wordt gevuld. Juist
Nederlands-Indië was een mix van diepzwart tot lelieblank.
Akkoord, bevestigt de heer Bovens, maar in dit kader ligt het gegeven
Indische Nederlander toch genuanceerder. Chinezen zijn door de eeuwen
heen het mikpunt geweest. Atjehers en Molukkers zijn bovendien niet van
Nederlandse origine. De heer Deeleman herhaalt dat Nederland
verantwoordelijk was voor allen, niet alleen voor diegenen van Nederlandse
afkomst. “Als waarheidsbevinding de periode 1939 - 1968 omvat, is hiervan geen
sprake zonder de overige bevolkingsgroepen erbij te betrekken”.
Mevrouw Overbeek Bloem vraagt zich af wat de status is van 600 miljoen
gulden (inmiddels groot 1,9 miljard) die in de afgelopen veertig jaar door
opeenvolgende Indonesische regeringen aan de Nederlandse Staat zijn betaald met
het oog op financiële claims? (SB 183, jaargang 1966, nummer 236.) Wordt
hierover ook melding gemaakt in het BHO?
De heer Meulemans vult aan: ‘De inschatting is dat vanwege de
nationalisatie Nederlandse bedrijven in Indië een verlies van 3 miljard
gulden hebben geleden’. Mevrouw Van Drongelen informeert dat de hele
kwestie rondom de miljarden gulden nog niet afgelopen is. Mevrouw De
Senerpont steunt haar hierin met de opmerking dat JES ermee bezig is en
daar de know-how ligt. De heren Hoogevorst en Balkenende zullen hierover
benaderd moeten worden.
De heer Tutupary is eveneens van mening dat de Molukkers aan bod dienen
te komen. Vele honderden van hen hebben na de Japanse bezetting nooit hun
achterstallig soldij ontvangen terwijl zij toch aan de kant van Nederland
stonden. Hij vraagt zich al heel lang af bij wie de aansprakelijkheid ligt.
Vóór de Tweede Wereldoorlog telde zijn dorp op de Molukken 120 KNIL’lers.
Toen hij in 1949 terugkeerde, waren daarvan 20 overgebleven. Deze ex- KNIL’ers,
die overigens nog steeds op de Molukken wonen, hebben geen woordvoerders in
Nederland. Tot slot merkt hij op dat op de Molukken nog altijd wordt gezegd:
‘Onze broeders in Nederland hebben ons vergeten’. In haar antwoord wijst
mevrouw Van Drongelen op ƒ 7500,00 welke de Nederlandse Staat destijds
aan hetzij de overlevende KNIL’ler, dan wel aan zijn weduwe uitbetaalde
inzake achterstallig soldij. Hun kinderen echter werden hiervan uitgesloten.
De hele kwestie moet opnieuw op het bord van Defensie gelegd worden. En wellicht
is de hier aanwezige vertegenwoordiger van Pelita - de stichting die ook de
belangen van Molukkers behartigt - bereid de vraag van de heer Tutupary bij
haar werkgever aan te kaarten.
Het nut van deelstudie 3 (nieuwe ordes, misdaad en gezag) wordt eveneens in
twijfel getrokken, tenzij hieronder de Bersiap wordt verstaan. Dito geldt
voor deelstudie 4 (de dekolonisatie van de stedelijke samenleving), waarbij
iedere aanwezige zichzelf de ene dan wel de andere vraag stelt: (1) Wat
heb ik eraan?
(2) Waarom begrijp ik dit niet?
(3) Waar gaat het over?
Deelstudie 4 wordt daarom gezien als een gonceng produkt, als een
leuk item voor de liefhebber, als een joint venture tussen
universiteiten in Indonesië en Nederland. WIJ hebben er niets mee te maken. De
deelstudies worden bepaald niet gezien als onderzoek dat door VWS
gesubsidieerd moet worden.
resultaat voorbespreking:
Overeengekomen wordt de dagvoorzitter een brief te doen opstellen ter attentie
van de Minister-President, de Voorzitter van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal, de ministers van VWS, OC&W en Financiën en de President van
de Nederlandse Bank. Afschriften van dit schrijven gaan uit naar het IP en NIOD.
-
rondvraag
De heer Bovens:
Ziet zich genoodzaakt alsnog te
reageren op de een na laatste alinea van de brief van de heer Blom (directeur
NIOD) aan mevrouw Young (werkgroep BKK buitenkampkinderen), omdat hij graag
van hem wil weten wat precies hiermee bedoeld wordt. De heer Bovens is van
mening dat óók Indonesiërs hebben geleden, terwijl in het BHO louter spreekt
over onze nazaten.
Mevrouw Korvinus:
Refereert aan het rapport Van Galen. Extra duidelijk moet worden uitgelegd
waarom Buitenkampers niet in het BHO meegenomen zijn.
Mevrouw Overbeek Bloem:
Vindt het uitstekend dat de geplande brief naar alle betrokken ministers
wordt verstuurd met daarin de resultaten van zowel deze voorbespreking als de
forumdiscussie op 11 april aanstaande.
De heer Deeleman:
Doet naar alle Indo’s een hartenkreet uitgaan om toch vooral samen te
werken richting overheid; doet tevens een oproep tot emancipatie onder alle
Indo’s.
Mevrouw van Drongelen:
Dankt de dagvoorzitter voor diens goede leidinggeven aan de
voorbespreking.
De heer Deetman:
Zeer binnenkort staat de actiegroep geregistreerd onder de naam
stichting actiegroep
jembatan.
-
sluiting
| |
Bezoekers-statistieken
LINKS

Uit de zak van de Tjelana Monjet

BBC: Indonesian Flashpoints


LAYANGAN
12 Indodichters
Sierkan-lezingen
Onze
Plek
NIEUW-INDISCH
Nieuw-Indisch: meer aandacht in de media voor de indische cultuur
Kamus Elektronik Bahasa Indonesia
INDOWEB
community voor
indo's op het i-net
Bona Ni Pasogit
Batakse stammen
|